KC21/24-0144
Non fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
UITVOERING - KLACHTENCOMMISSIE - TUCHT
Klager beklaagt zich over een vermeende niet-uitvoering van een beslissing van de klachtencommissie. Hij zegt de hem toegekende tegemoetkoming nog niet ontvangen te hebben. Klager laat na te specificeren in welk klachtendossier (referentienummer) hij zijn tegemoetkoming niet ontving. Hij situeert de ingediende klacht rond 19 mei 2024. Op basis van de door klager verstrekte datum meent de klachtencommissie dat klager het heeft over KC21/24-0064. De klacht in dat dossier werd immers ingediend op 23 mei 2024. Een klacht inzake het verzuim om uitvoering te geven aan de beslissing van de klachtencommissie behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. Of er ook daadwerkelijk sprake is van een verzuim behoort tot de beoordeling van de gegrondheid. De klachtencommissie stelt vast dat de klacht van klager in KC21/24-0064 weliswaar gegrond werd verklaard, doch dat zij aan klager géén tegemoetkoming toekende, aangezien hij schriftelijk aangaf géén tegemoetkoming te wensen via aankruising op een door hem ondertekend formulier. Aangezien er géén tegemoetkoming werd toegekend, kan er volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier dan ook niet besloten worden tot een verzuim in hoofde van de directie om uitvoering te geven aan de beslissing van de klachtencommissie in KC21/24-0064. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 17 oktober 2024. Hierin wordt beschreven hoe klager zich zeer eisend opstelt ten aanzien van het personeel in een discussie omtrent een (tweede) douche op 17 oktober 2024. Klager wordt boos omdat hij na een uur nog niet te woord werd gestaan door de KO. Vervolgens gaat hij over tot het uitschelden van het personeelslid dat de kantine komt bedelen. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten (enkel) als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie merkt op dat de directie in de motivering ook feiten aanhaalt (eisend opstellen ten aanzien van personeel, hard kloppen op de deur) waar ze vervolgens geen specifieke kwalificatie aan verbindt. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager beklaagt zich over een vermeende niet-uitvoering van een beslissing van de klachtencommissie. Hij zegt de hem toegekende tegemoetkoming nog niet ontvangen te hebben. Klager laat na te specificeren in welk klachtendossier (referentienummer) hij zijn tegemoetkoming niet ontving. Hij situeert de ingediende klacht rond 19 mei 2024. Op basis van de door klager verstrekte datum meent de klachtencommissie dat klager het heeft over KC21/24-0064. De klacht in dat dossier werd immers ingediend op 23 mei 2024. Een klacht inzake het verzuim om uitvoering te geven aan de beslissing van de klachtencommissie behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. Of er ook daadwerkelijk sprake is van een verzuim behoort tot de beoordeling van de gegrondheid. De klachtencommissie stelt vast dat de klacht van klager in KC21/24-0064 weliswaar gegrond werd verklaard, doch dat zij aan klager géén tegemoetkoming toekende, aangezien hij schriftelijk aangaf géén tegemoetkoming te wensen via aankruising op een door hem ondertekend formulier. Aangezien er géén tegemoetkoming werd toegekend, kan er volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier dan ook niet besloten worden tot een verzuim in hoofde van de directie om uitvoering te geven aan de beslissing van de klachtencommissie in KC21/24-0064. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 17 oktober 2024. Hierin wordt beschreven hoe klager zich zeer eisend opstelt ten aanzien van het personeel in een discussie omtrent een (tweede) douche op 17 oktober 2024. Klager wordt boos omdat hij na een uur nog niet te woord werd gestaan door de KO. Vervolgens gaat hij over tot het uitschelden van het personeelslid dat de kantine komt bedelen. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten (enkel) als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie merkt op dat de directie in de motivering ook feiten aanhaalt (eisend opstellen ten aanzien van personeel, hard kloppen op de deur) waar ze vervolgens geen specifieke kwalificatie aan verbindt. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.