KC21/24-0141
Fondée
Compensation
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
De directie legde de uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten in het bijzijn van een welbepaalde medegedetineerde (een maatregel uit artikel 112, §1, 2° Basiswet op) zodat de directie de rechtsgrond van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet, onder de volle lijn op het formulier CB 124 bijlage 6) had moeten aankruisen en motiveren. Dit werd niet gedaan. De directie kruiste daarentegen de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet, boven de volle lijn op het formulier CB 124 bijlage 6) aan als rechtsgrond en plaatste haar motivering aldaar. Vervolgens legde ze een maatregel op die in principe bij de rechtsgrond onder de volle lijn hoort. Omwille van bovenstaande onnauwkeurigheden doorstaat de voorlopige maatregel de toets van artikel 145, §1 j° artikel 8 Basiswet niet. De klacht is gegrond. De VM wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming één pak suiker uit de kantine.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager, na het wegleiden van een andere geïnterneerde die tumult veroorzaakte tijdens het opendeurmoment, zegt dat het tijd wordt dat hij nog eens een chef gaat aanvallen, maar dat hij het nu niet zal doen omdat het een vrouw is. Nadat klager naar zijn kamer gaat en verzoekt om de deur te sluiten, zet hij zijn muziek zeer luid. Er wordt meermaals aangedrongen om zijn muziek stiller te zetten, hetgeen hij uiteindelijk doet. Vervolgens bonkte klager nog verschillende keren op zijn deur. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kon de daarin opgenomen feiten dan ook als bewezen beschouwen. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct. Gelet op de uitspraak die klager doet (“Het wordt tijd dat ik nog eens een chef ga aanvallen.”) hadden de feiten volgens de klachtencommissie eveneens gekwalificeerd kunnen worden als een andere inbreuk van de eerste categorie, te weten de bedreiging van de fysieke integriteit van personen (artikel 129, 1° Basiswet). De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het relaas van klager ter tuchtzitting. De directie leidt hieruit af dat klager zich zeer bewust is van zijn handelen, aangezien hij zijn beweegreden voor het doen van een “ga weg gebaar” naar het personeel toelicht. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van 60 belminuten.
De directie legde de uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten in het bijzijn van een welbepaalde medegedetineerde (een maatregel uit artikel 112, §1, 2° Basiswet op) zodat de directie de rechtsgrond van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet, onder de volle lijn op het formulier CB 124 bijlage 6) had moeten aankruisen en motiveren. Dit werd niet gedaan. De directie kruiste daarentegen de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet, boven de volle lijn op het formulier CB 124 bijlage 6) aan als rechtsgrond en plaatste haar motivering aldaar. Vervolgens legde ze een maatregel op die in principe bij de rechtsgrond onder de volle lijn hoort. Omwille van bovenstaande onnauwkeurigheden doorstaat de voorlopige maatregel de toets van artikel 145, §1 j° artikel 8 Basiswet niet. De klacht is gegrond. De VM wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming één pak suiker uit de kantine.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven hoe klager, na het wegleiden van een andere geïnterneerde die tumult veroorzaakte tijdens het opendeurmoment, zegt dat het tijd wordt dat hij nog eens een chef gaat aanvallen, maar dat hij het nu niet zal doen omdat het een vrouw is. Nadat klager naar zijn kamer gaat en verzoekt om de deur te sluiten, zet hij zijn muziek zeer luid. Er wordt meermaals aangedrongen om zijn muziek stiller te zetten, hetgeen hij uiteindelijk doet. Vervolgens bonkte klager nog verschillende keren op zijn deur. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kon de daarin opgenomen feiten dan ook als bewezen beschouwen. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct. Gelet op de uitspraak die klager doet (“Het wordt tijd dat ik nog eens een chef ga aanvallen.”) hadden de feiten volgens de klachtencommissie eveneens gekwalificeerd kunnen worden als een andere inbreuk van de eerste categorie, te weten de bedreiging van de fysieke integriteit van personen (artikel 129, 1° Basiswet). De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar het relaas van klager ter tuchtzitting. De directie leidt hieruit af dat klager zich zeer bewust is van zijn handelen, aangezien hij zijn beweegreden voor het doen van een “ga weg gebaar” naar het personeel toelicht. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt een tegemoetkoming van 60 belminuten.