KC21/24-0105
Non fondée
Irrecevable
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Pas de décision du directeur
Mesure d'ordre
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - MEDISCH - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
Klager beklaagt zich over het gegeven dat een andere gedetineerde niet ontslagen werd. Klager beklaagt zich aldus over een verzuim om een beslissing te nemen ten aanzien van een andere gedetineerde. Dergelijke klacht behoort niet tot het toepassingsgebied van het beklagrechtrecht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat de arts een lichamelijke kwetsuur niet wil erkennen. De directie komt niet tussen in medische aangelegenheden. In het voorliggend dossier werd er volgens de klachtencommissie dan ook geen klacht ingediend tegen een beslissing of verzuim door of namens de directeur. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager werd bij ordemaatregel van 30 augustus 2024 ontslagen uit zijn functie als baddiender. De directie motiveerde het ontslag van klager op grond van het gegeven dat hij al drie dagen weigerde om te gaan werken, terwijl hij geen dokter aanvroeg. Klager ging bovendien niet in op de uitnodiging voor een gesprek met de directie, zodat er geen rekening kon worden gehouden met zijn kant van het verhaal. Klager wijt de weigering om op gesprek te komen aan het gegeven dat het om een tuchthoorzitting leek te gaan. De klachtencommissie vindt het zeer opmerkelijk dat klager de kans niet aangreep om het gesprek met de directie aan te gaan, gelet op het gegeven dat hij naar eigen zeggen de directie al meermaals aanschreef (zonder specificering van de data of inhoud van zijn schrijven) in verband met zijn werk maar niet werd opgeroepen én het gegeven dat hij er op het moment van de uitnodiging voor een gesprek al voor geopteerd had om drie dagen niet te werken zonder hiervoor in de nodige medische rechtvaardigingen te voorzien zodat hij kon vermoeden dat hij zich hiervoor vroeg of laat zou moeten verantwoorden ten overstaan van de directie. Uit zijn klacht blijkt bovendien dat klager goed op de hoogte is van de rechtswaarborgen waarmee de tuchtprocedure jegens een geïnterneerde is omkaderd. Klager wist met andere woorden dat indien het gesprek met de directeur plots een daadwerkelijke tuchthoorzitting zou blijken, dit nooit tot een rechtsgeldige tuchtbeslissing zou kunnen leiden. De klachtencommissie meent dan ook dat klager onterecht niet inging op de uitnodiging voor een gesprek met de directie en meent dat het niet aan de directie kan verweten worden dat er geen rekening werd gehouden met zijn kant van het verhaal (waarvan bovendien niet vaststaat dat het tot een andere uitkomst zou geleid hebben). De klachtencommissie acht de elementen uit de motivering van de ontslagbeslissing voldoende zwaarwichtig om het ontslag van klager te verantwoorden. De functie van fatik vereist immers een voldoende aanwezigheid om de continuïteit van het werk te verzekeren. De motivering stelt klager bovendien in staat de redenen van zijn ontslag te begrijpen. De klachtencommissie acht het ontslag dan ook wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat een andere gedetineerde niet ontslagen werd. Klager beklaagt zich aldus over een verzuim om een beslissing te nemen ten aanzien van een andere gedetineerde. Dergelijke klacht behoort niet tot het toepassingsgebied van het beklagrechtrecht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over het gegeven dat de arts een lichamelijke kwetsuur niet wil erkennen. De directie komt niet tussen in medische aangelegenheden. In het voorliggend dossier werd er volgens de klachtencommissie dan ook geen klacht ingediend tegen een beslissing of verzuim door of namens de directeur. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager werd bij ordemaatregel van 30 augustus 2024 ontslagen uit zijn functie als baddiender. De directie motiveerde het ontslag van klager op grond van het gegeven dat hij al drie dagen weigerde om te gaan werken, terwijl hij geen dokter aanvroeg. Klager ging bovendien niet in op de uitnodiging voor een gesprek met de directie, zodat er geen rekening kon worden gehouden met zijn kant van het verhaal. Klager wijt de weigering om op gesprek te komen aan het gegeven dat het om een tuchthoorzitting leek te gaan. De klachtencommissie vindt het zeer opmerkelijk dat klager de kans niet aangreep om het gesprek met de directie aan te gaan, gelet op het gegeven dat hij naar eigen zeggen de directie al meermaals aanschreef (zonder specificering van de data of inhoud van zijn schrijven) in verband met zijn werk maar niet werd opgeroepen én het gegeven dat hij er op het moment van de uitnodiging voor een gesprek al voor geopteerd had om drie dagen niet te werken zonder hiervoor in de nodige medische rechtvaardigingen te voorzien zodat hij kon vermoeden dat hij zich hiervoor vroeg of laat zou moeten verantwoorden ten overstaan van de directie. Uit zijn klacht blijkt bovendien dat klager goed op de hoogte is van de rechtswaarborgen waarmee de tuchtprocedure jegens een geïnterneerde is omkaderd. Klager wist met andere woorden dat indien het gesprek met de directeur plots een daadwerkelijke tuchthoorzitting zou blijken, dit nooit tot een rechtsgeldige tuchtbeslissing zou kunnen leiden. De klachtencommissie meent dan ook dat klager onterecht niet inging op de uitnodiging voor een gesprek met de directie en meent dat het niet aan de directie kan verweten worden dat er geen rekening werd gehouden met zijn kant van het verhaal (waarvan bovendien niet vaststaat dat het tot een andere uitkomst zou geleid hebben). De klachtencommissie acht de elementen uit de motivering van de ontslagbeslissing voldoende zwaarwichtig om het ontslag van klager te verantwoorden. De functie van fatik vereist immers een voldoende aanwezigheid om de continuïteit van het werk te verzekeren. De motivering stelt klager bovendien in staat de redenen van zijn ontslag te begrijpen. De klachtencommissie acht het ontslag dan ook wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.