Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0095

Non fondée Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING

Klager kreeg de voorlopige maatregel van de uitsluiting van deelname aan bepaalde activiteiten opgelegd op grond van (volgens de onderlijning) de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De maatregel uit artikel 112, §1, 2° Basiswet kan echter enkel opgelegd worden omwille van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet), zodat de directie de rechtsgrond onder de volle lijn op bijlage 6 had moeten aankruisen en motiveren. Dit werd niet gedaan. Omwille van bovenstaande onnauwkeurigheid doorstaat de voorlopige maatregel de toets van artikel 145, §1 j° artikel 8 Basiswet niet. De klacht is gegrond. Aangezien de klachtencommissie van oordeel is dat in het voorliggend dossier het nemen van een voorlopige maatregel tot uitsluiting van deelname aan activiteiten met de medegedetineerde inderdaad de juiste beslissing was, doch deze beslissing louter verkeerd werd opgesteld, stelt zij haar beslissing in de plaats (artikel 158, §3, 2° Basiswet).

Klager kreeg ook nog de voorlopige maatregel van plaatsing op een beveiligde cel opgelegd. Deze maatregel werd opgelegd op grond van (volgens de onderlijning) de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hoewel uit het tweede RAD blijkt dat klager in feite zelf aangaf nog liever naar het “cachot” te gaan dan te verhuizen naar paviljoen Abis, meent de klachtencommissie dat beide betrokken partijen inderdaad maximaal gescheiden dienden te worden. Dat klager weigerde om te verhuizen verantwoordt volgens de klachtencommissie zijn plaatsing op de beveiligde cel. Volgens de klachtencommissie motiveert de directie afdoende waarom zij een plaatsing op de beveiligde cel noodzakelijk achtte. De voorlopige maatregel is wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting ontkent klager de medegedetineerde geslagen te hebben en stelt deze persoon enkel te hebben vastgehouden tot de chefs kwamen. De directie hecht hier geen geloof aan, verwijzend naar de materiële vaststellingen in het RAD en het gegeven dat beide gedetineerden verzorgd moesten worden door de medische dienst. Volgens de klachtencommissie kwam de directie tot een conclusie die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (toebrengen van verwondingen aan een medegedetineerde) bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg een sanctie van 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.