KC21/24-0078
Non fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 28 juni 2024, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Uit de hoorzitting concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Uit het dagdagelijks gedrag van klager concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie ook ondersteuning in het eigenlijke RAD. Uit de verklaring die klager meteen aflegt ten overstaan van de beambte blijkt dat klager de feiten wetens en willens heeft gesteld. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten aan de hand van dit element afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 28 juni 2024, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Uit de hoorzitting concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Uit het dagdagelijks gedrag van klager concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD concludeert de directie dat klager zijn gedrag kent en de gevolgen ervan kan inschatten. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie ook ondersteuning in het eigenlijke RAD. Uit de verklaring die klager meteen aflegt ten overstaan van de beambte blijkt dat klager de feiten wetens en willens heeft gesteld. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten aan de hand van dit element afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.