Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0002

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Ter tuchtzitting en in zijn klacht ontkent klager de feiten. Volgens de klachtencommissie brengt klager echter geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van dat RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde alle feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze kwalificatie is correct voor wat betreft de foutieve aanwending van het toilet om allerlei afval en etensresten door te spoelen. Deze kwalificatie is niet correct voor wat betreft het niet-opvolgen van bevelen en instructies van het personeel. De directie hanteert de omweg van artikel 106 §2 Basiswet om te stellen dat het dichtduwen of dichtslaan van een deur zonder toelating van het personeel een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakt. Het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel is een op zichzelf staande tuchtinbreuk onder artikel 130, 3° Basiswet. In de motivering wordt niet verder ingegaan op de verbale agressie jegens het personeel, zodat het onduidelijk is welke inbreuk dit volgens de directie uitmaakte en of klager hiervoor gesanctioneerd werd.

De directie stelt de toerekenbaarheid van de feiten besproken te hebben met het zorgteam (waartoe ook een psychiater behoort). Van deze bespreking wordt echter niets in de motivering opgenomen. De directie beperkt zich tot een aantal standaardformuleringen waarvan de klachtencommissie al meermaals heeft geoordeeld dat ze niet afdoende zijn:
(1) Uit het RAD blijkt dat klager zeer coherent was op het moment van de feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich met een verwijzing naar het RAD terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt volgens de klachtencommissie echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier.
(2) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. De directie zegt daarbij dat klager heel goed weet wat kan en niet kan, en goed kan aantonen wat hij zelf kan en wat niet (bv. poetsen). De klachtencommissie wijst erop dat het gegeven dat klager weet dat een bepaalde gedraging een inbreuk uitmaakt, nog niet uitsluit dat hij zijn gedrag onvoldoende onder controle heeft om zich er ook van te onthouden.
(3) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.