KC21/23-0142
Fondée
Compensation
Irrecevable
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
Mesure d'ordre
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - TEGEMOETKOMING
Een klacht over een weigering van ongestoord bezoek behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. In de klacht dient men echter zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover geklaagd wordt en de redenen van de klacht te vermelden (artikel 150 §2 Basiswet). Klager vermeldt geen datum van de weigeringsbeslissing. Doordat klager geen enkele aanwijzing omtrent de datum van de weigeringsbeslissing geeft, is de klachtencommissie in de onmogelijkheid om de ontvankelijkheid (indieningstermijn) en de wettelijkheid en redelijkheid te toetsen. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een klacht over de werking van de PSD valt niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Bij de tuchtbeslissing heeft de directie zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD waarin beschreven wordt hoe er tijdens een celcontrole verboden substantie wordt aangetroffen, verstopt achter de plinten. Vervolgens beschrijft het RAD ook dat de politiehond gespecialiseerd in drugs reageerde (ging zitten) op klager tijdens een lijncontrole. Uit deze gegevens trekt de directie de conclusie dat klager in een recent verleden drugs manipuleerde. Volgens de klachtencommissie ging de directie bij haar redenering om de feiten bewezen te achten de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. Het RAD bevat geen enkele beschrijving van het gedrag van klager. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra videobezoek.
Een klacht over een weigering van ongestoord bezoek behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. In de klacht dient men echter zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover geklaagd wordt en de redenen van de klacht te vermelden (artikel 150 §2 Basiswet). Klager vermeldt geen datum van de weigeringsbeslissing. Doordat klager geen enkele aanwijzing omtrent de datum van de weigeringsbeslissing geeft, is de klachtencommissie in de onmogelijkheid om de ontvankelijkheid (indieningstermijn) en de wettelijkheid en redelijkheid te toetsen. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een klacht over de werking van de PSD valt niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht is niet-ontvankelijk.
Bij de tuchtbeslissing heeft de directie zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD waarin beschreven wordt hoe er tijdens een celcontrole verboden substantie wordt aangetroffen, verstopt achter de plinten. Vervolgens beschrijft het RAD ook dat de politiehond gespecialiseerd in drugs reageerde (ging zitten) op klager tijdens een lijncontrole. Uit deze gegevens trekt de directie de conclusie dat klager in een recent verleden drugs manipuleerde. Volgens de klachtencommissie ging de directie bij haar redenering om de feiten bewezen te achten de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende drie elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt, vindt echter geen ondersteuning in het eigenlijke RAD. Het RAD bevat geen enkele beschrijving van het gedrag van klager. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar het RAD dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra videobezoek.