KC21/23-0110
Fondée
Compensation
Irrecevable
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (pogen door te geven van een voorwerp) bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) De uitleg van de beweegredenen tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was. De directie leidt hieruit af dat klager zijn handelingen doelbewust plande. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelingen” is volgens de klachtencommissie eerder een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD in kwestie. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douchemoment.
Klager klaagt over discriminerend gedrag door een personeelslid. Uit de verwijzing naar het politieverhoor concludeert de klachtencommissie dat er wellicht een strafdossier over werd opgestart. Een klacht over het loutere gedrag van een personeelslid dat niet in verband gebracht kan worden met een beslissing van de directeur betreft géén beslissing genomen door of namens de directeur ten aanzien van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (pogen door te geven van een voorwerp) bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) De uitleg van de beweegredenen tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) In het RAD zijn er geen aanwijzingen dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was. De directie leidt hieruit af dat klager zijn handelingen doelbewust plande. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelingen” is volgens de klachtencommissie eerder een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD in kwestie. Dit element is dan ook niet afdoende.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douchemoment.
Klager klaagt over discriminerend gedrag door een personeelslid. Uit de verwijzing naar het politieverhoor concludeert de klachtencommissie dat er wellicht een strafdossier over werd opgestart. Een klacht over het loutere gedrag van een personeelslid dat niet in verband gebracht kan worden met een beslissing van de directeur betreft géén beslissing genomen door of namens de directeur ten aanzien van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.