Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0013

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID

De klachtencommissie vindt de loutere betwisting van de feiten geen tegenindicatie die doet twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte. Aangezien er geen camerabeelden voorhanden waren, kon de directie ook niet overgaan tot het bekijken ervan.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht die kwalificaties correct en voldoende gemotiveerd.

De tweede component van artikel 144 §6 Basiswet, namelijk de vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk(en) ook aan de gedetineerde kan (kunnen) worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk(en) een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten aan de hand van drie elementen:
(1) De directie verwijst naar de deelname aan het normale regime. Een loutere verwijzing naar de deelname van klager aan het gewone regime is niet afdoende. Dat iemand deelneemt aan het gewone regime doet geen afbreuk aan de rechterlijke uitspraken op grond waarvan hij geïnterneerd werd (cfr. RvS nr. 251.295 van 22 juli 2021).
(2) De directie verwijst naar de tewerkstelling binnen een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie oordeelt dat ook een loutere verwijzing naar de tewerkstelling van klager binnen een vertrouwensfunctie niet afdoende is. Net zoals de deelname aan het gewone regime doet deze tewerkstelling geen afbreuk aan de rechterlijke uitspraken op grond waarvan hij geïnterneerd werd.
(3) De directie verwijst naar de heldere en coherentie toelichting van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hiermee spreekt zij zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten.

De directie motiveert aldus niet afdoende waarom ze klager in het voorliggend dossier verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. Ze spreekt zich immers niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.