Ga verder naar de inhoud

KC21/22-0111

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID - TERMIJN

De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering enkel naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting (“Betrokkene komt op de hoorzitting helder over en kan zijn verhaal vlot doen, de feiten worden daarom aanrekenbaar geacht, ook al is hij geïnterneerd.”) zonder verwijzing naar zijn toestand op het ogenblik van de feiten. De directie motiveert hierdoor niet afdoende waarom ze klager in het voorliggend dossier verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.

De klachtencommissie herhaalt haar standpunt dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, met name de vraag of de persoon op het moment van de feiten over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen, een zeer moeilijke beoordeling is die volgens haar niet op adequate wijze door de directie kan gebeuren, nu er ontegensprekelijk een medische component mee gemoeid is. Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen.

Klager richt zijn klacht ook tegen eerdere tuchtbeslissingen (zonder concrete data). De klachtencommissie deed in KC21/22-0108 reeds uitspraak over de vorige tuchtbeslissing (d.d. 4 november 2022) die ten aanzien van klager werd genomen. De voorgaande tuchtbeslissingen waarnaar hij verwijst dateren dus nog van vóór die datum, zodat de termijn van 7 dagen op het moment van indiening van de huidige klacht (13 november 2022) reeds overschreden was. De klachtencommissie ziet in het dossier geen elementen die er op wijzen dat de klager zo snel als mogelijk heeft getracht klacht in te dienen en ziet dus geen reden om de termijn van zeven dagen soepel te interpreteren zoals voorzien wordt in artikel 150 §2 van de Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.