Ga verder naar de inhoud

KC21/21-0101

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID

De vraag of de tuchtrechtelijke inbreuk ook aan de gedetineerde kan worden toegerekend, vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk een geïnterneerde is. Overeenkomstig de communicatie van DG EPI d.d. 26 april 2021 dient elke directeur die een tuchtprocedure wenst te voeren ten aanzien van een geïnterneerde, wanneer hij op basis van alle info waarover hij beschikt van mening is dat de te vervolgen persoon verantwoordelijk is voor de door hem gepleegde inbreuken, deze afweging uitdrukkelijk op te nemen in de motivering van de tuchtbeslissing. De motivering van de tuchtbeslissing dient dus expliciet melding te maken van de elementen waaruit volgens de directie blijkt dat de gepleegde feiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend. De Klachtencommissie oordeelt dat de toets van de toerekenbaarheid van de feiten aan klager in casu niet afdoende is. Uit de formulering “Betrokkene is geïnterneerd. Hij neemt deel aan het normale regime. Ook op de tuchthoorzitting ging hij helder en coherent in gesprek. De feiten kunnen hem toegerekend worden.” blijkt voornamelijk een schets van de toestand ter tuchtrechtelijke hoorzitting. De toets die de directie moet maken betreft de toerekenbaarheid van de inbreuk op het moment van het plegen ervan. Dat klager op het moment van de tuchtrechtelijke hoorzitting een samenhangend verhaal vertelt of eventueel bepaalde feiten erkent is onvoldoende om iets te zeggen over zijn toestand op het ogenblik van de feiten. Dat klager deelneemt aan het normale regime stelt de directie evenmin vrij van deze toets, aangezien klager desondanks nog steeds onder het statuut van internering valt, waarmee dan ook afdoende rekening gehouden moet worden. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.