Ga verder naar de inhoud

KC21/21-0097

Fondée Compensation KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING

Voor wat betreft de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° van de Basiswet) verwijst de directie in de motivering naar de tirade die door klager wordt afgestoken waarbij hij zijn ongenoegen uit, zelfs nadat het personeel hem uitlegt wat men van hem verwachtte en waarom het noodzakelijk was hem even aan te raken (wakker te schudden). Klager ontkent deze feiten ook niet ter tuchtrechtelijke hoorzitting. De Klachtencommissie oordeelt dat de directie deze tuchtinbreuk in hoofde van klager kon weerhouden. Ze acht de sanctie van 5 dagen ATV voor deze feiten redelijk. Rekening houdend met het tuchtregister van klager, is het eveneens redelijk dat de 7 dagen voorwaardelijk in toepassing van artikel 143 §4, vierde lid van de Basiswet ten uitvoer werden gelegd. De motivering van de tuchtbeslissing is echter gebrekkig op het volgende punt. De tuchtsanctie werd uitgesproken ter tuchtrechtelijke hoorzitting. Ze werd nadien formeel bevestigd in een schriftelijke tuchtbeslissing. Niet alle elementen die ter tuchtrechtelijke hoorzitting werden aangehaald en die schijnbaar hebben meegespeeld in het nemen van de beslissing, zijn ook terug te vinden zijn in de schriftelijke motivering van de tuchtbeslissing. De motivering voldoet daardoor niet aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet en dient bijgevolg aangepast te worden. De klacht is gegrond. De directie moet binnen de 7 dagen een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van de uitspraak van de Klachtencommissie.
Tijdens de uitvoering van een ATV bestaan er duidelijke regels inzake bellen en gewoon bezoek (artikel 140 van de Basiswet). Inzake videobellen, dat zowel als ‘bellen’ als als een vorm van ‘bezoek’ beschouwd zou kunnen worden, biedt de wet geen duidelijkheid. Om deze lacune op te vangen was er volgens de Klachtencommissie een beslissing van de directeur vereist. De Klachtencommissie beschouwt het ontbreken van die beslissing hier als zijnde een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. De klacht is ontvankelijk. In casu werd er ten gevolge van het ontbreken van een beslissing van de directie een beslissing genomen door de PBA, waarbij de directie in haar verweer aangeeft dat ze de beslissing die door de PBA werd genomen betreurt. De Klachtencommissie leidt hieruit af dat indien de directie zelf een beslissing had genomen, die wellicht in tegenovergestelde zin was genomen en klager wel degelijk had mogen videobellen. De klacht is gegrond. Klager krijgt als tegemoetkoming twee extra videobelmomenten.