TUCHT - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting ontkent klager dat het zijn kast was. Ze hebben dit volgens hem ook niet gevraagd. Klager zegt zich met zijn eigen ding te moeien. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Ongeacht of het daadwerkelijk klager zijn kast was, blijkt uit het RAD immers dat er spullen van hem in aanwezig waren. De directie heeft dit dan ook aangegrepen als element om te besluiten dat de feiten (zowel de substantie als de usb-stick) aan klager kunnen toegerekend worden omdat hij de kast minstens ook gebruikte. In elk geval werd er ook een verboden substantie ontdekt in het deken van het bed waarop klager op het ogenblik van de feiten lag. Hiervoor voerde klager geen geloofwaardige tegenindicatie aan. Hij ontkende louter iets met de feiten te maken te hebben. De klachtencommissie meent dat de directie de grenzen van de redelijkheid niet overschreden heeft door de feiten bewezen te achtten en ze aan klager toe te rekenen.
De directie kwalificeerde feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting ontkent klager dat het zijn kast was. Ze hebben dit volgens hem ook niet gevraagd. Klager zegt zich met zijn eigen ding te moeien. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Ongeacht of het daadwerkelijk klager zijn kast was, blijkt uit het RAD immers dat er spullen van hem in aanwezig waren. De directie heeft dit dan ook aangegrepen als element om te besluiten dat de feiten (zowel de substantie als de usb-stick) aan klager kunnen toegerekend worden omdat hij de kast minstens ook gebruikte. In elk geval werd er ook een verboden substantie ontdekt in het deken van het bed waarop klager op het ogenblik van de feiten lag. Hiervoor voerde klager geen geloofwaardige tegenindicatie aan. Hij ontkende louter iets met de feiten te maken te hebben. De klachtencommissie meent dat de directie de grenzen van de redelijkheid niet overschreden heeft door de feiten bewezen te achtten en ze aan klager toe te rekenen.
De directie kwalificeerde feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden.
Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.