Ga verder naar de inhoud

KC20/25-0057

Non fondée KC - Mechelen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - SANCTIE

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 14 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager een bruine substantie aanneemt van een medegedetineerde. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij inderdaad iets doorgaf op de wandeling, doch dat het tabak betrof. Volgens de klachtencommissie zijn de vaststellingen in het RAD duidelijk en bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De directie spreekt in de tuchtbeslissing over “een brokje bruine substantie”. Klager stelde ter tuchtzitting en in zijn klacht dat het om een plukje tabak ging. De klachtencommissie wijst erop dat, hoewel deze formulering misschien in eerste instantie doet vermoeden dat het om een verboden substantie ging omwille van het woord “brokje” (dat overigens niet te lezen valt in het RAD van 14 juni 2025), de directie de feiten uiteindelijk niet kwalificeerde als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). Ze beperkte zich tot het aspect van het doorgeven van een voorwerp. De klachtencommissie meent dan ook dat deze onnauwkeurigheid (het gebruik van het woord “brokje”) niet dient te leiden tot de nietigheid van de tuchtbeslissing. Klager haalt in zijn klacht aan dat de directie zei dat het in het huishoudelijk reglement staat. Hoewel het verbod op het doorgeven van een plukje tabak als zodanig niet in het huishoudelijk reglement staat, wordt er in elk geval wel in geformuleerd dat het verboden is om voorwerpen door te geven. De directie bracht een bewijsstuk aan waaruit blijkt dat klager verklaarde kennisgenomen te hebben van het huishoudelijk reglement. De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde één inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor het verbod om gedurende 7 dagen deel te nemen aan de gemeenschappelijke wandeling. De opgelegde sanctie valt binnen de maximumduur. Een bijzondere tuchtsanctie moet daarnaast steeds in verband staan met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk (artikel 133 Basiswet). Klager kreeg het verbod opgelegd omdat hij de tuchtinbreuk beging op de gemeenschappelijke wandeling. De klachtencommissie oordeelt dat de sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.