TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 5 september 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
Klager had gevraagd om een pro deo advocaat en deze blijkt ook op regelmatig wijze te zijn opgeroepen voor de tuchtzitting, maar ter zitting van 5 november 2024 van de klachtencommissie heeft hij bevestigd dat hij, toen men hem meedeelde dat de advocaat niet zou komen, heeft verklaard dat hij geen advocaat wou. De klacht is op dit punt dus zonder voorwerp.
Het dossier bevat twee rapporten aan de directeur (RAD). Het eerste RAD van 2 september 2024 zet uiteen dat klager gezien werd op de wandeling terwijl hij op verschillende tijdstippen aan andere, bij naam genoemde gedetineerden een verdachte bruine substantie uitdeelde. Dit pakketje wordt beschreven als “een wit pakketje” waarin “een bruine substantie te zien was even groot als zijn hand”. Daarbij keken de gedetineerden verschillende keren richting de beambte en richting de camera, en toen klager zag dat de beambte toekeek stak hij het pakketje weer weg. In het tweede RAD, dd. 3 september 2024 over de controle van de cel van klager, wordt de vondst beschreven van een blokje bruine substantie in een joggingbroek en een tweede blokje geplakt aan een stuk papier op de tafel.
Met betrekking tot het eerste RAD werd klager gesanctioneerd voor de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in zijn klacht hield hij vol dat het tabak was. De directie achtte in de bestreden beslissing bewezen dat het wel degelijk ging om verboden substantie, daar het ‘niet gebruikelijk’ was dat men zo op zijn hoede was bij het doorgeven van gewone tabak, en daar het volgens het toezichthoudend personeelslid ging om een vaste massa en niet om losse tabak.
De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de precieze beschrijving van de waarnemingen in het RAD van 2 september 2024, de directie op redelijke gronden bewezen heeft geacht dat betrokkene zich op die datum schuldig maakte aan het bezet van en handel in verboden substantie. Weliswaar specifieert dit RAD niet dat een vaste massa werd doorgegeven, maar blijkens het RAD van daags nadien werden bij de celcontrole wel degelijk twee blokjes bruine substantie gevonden, waarvoor de celgenoot Sita volgens mededeling van klager ter zitting van 5 november 2024 de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. Sita was blijkens het RAD van 2 september 2024 één van degenen aan wie klager een deel van de substantie uit het pakketje had overhandigd.
Consequent hiermee werd klager niet gesanctioneerd voor de op cel gevonden drugs, maar wel voor het doorgeven ervan daags tevoren, hetgeen tegelijk ook een inbreuk is op het huishoudelijk reglement van de gevangenis (IV, 2.5). Gelet op het gevaar dat druggebruik met zich meebrengt is dit tevens een opzettelijke aantasting van de orde, ook al heeft de directie nagelaten dit in de beslissing expliciet te motiveren.
Uit de tuchtbeslissing blijkt verder dat klager op basis van het RAD van 3 september 2024 werd gesanctioneerd voor de doorgeeflinten die aan de tralie waren gebonden, en waarvan hij op de tuchtzitting beweerde dat ze er al maanden lagen. Het gaat hier om een inbreuk op het huishoudelijk reglement (III.2.3.c), zij het dat de directie ook hier nalaat dit te specifiëren.
Klager werd gesanctioneerd met in totaal 25 dagen ATV, waarvan 4 dagen met uitstel voor de doorgeeflinten (inbeuk van 2de categorie), en derhalve 21 dagen ATV voor het bezit en handel in de verboden substantie (inbreuk van 1ste categorie). De sanctie komt proportioneel voor zodat de beslissing van de directie redelijk is. De klacht wordt ongegrond verklaard.
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 5 september 2024 van de directie van de gevangenis van Mechelen.
Klager had gevraagd om een pro deo advocaat en deze blijkt ook op regelmatig wijze te zijn opgeroepen voor de tuchtzitting, maar ter zitting van 5 november 2024 van de klachtencommissie heeft hij bevestigd dat hij, toen men hem meedeelde dat de advocaat niet zou komen, heeft verklaard dat hij geen advocaat wou. De klacht is op dit punt dus zonder voorwerp.
Het dossier bevat twee rapporten aan de directeur (RAD). Het eerste RAD van 2 september 2024 zet uiteen dat klager gezien werd op de wandeling terwijl hij op verschillende tijdstippen aan andere, bij naam genoemde gedetineerden een verdachte bruine substantie uitdeelde. Dit pakketje wordt beschreven als “een wit pakketje” waarin “een bruine substantie te zien was even groot als zijn hand”. Daarbij keken de gedetineerden verschillende keren richting de beambte en richting de camera, en toen klager zag dat de beambte toekeek stak hij het pakketje weer weg. In het tweede RAD, dd. 3 september 2024 over de controle van de cel van klager, wordt de vondst beschreven van een blokje bruine substantie in een joggingbroek en een tweede blokje geplakt aan een stuk papier op de tafel.
Met betrekking tot het eerste RAD werd klager gesanctioneerd voor de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in zijn klacht hield hij vol dat het tabak was. De directie achtte in de bestreden beslissing bewezen dat het wel degelijk ging om verboden substantie, daar het ‘niet gebruikelijk’ was dat men zo op zijn hoede was bij het doorgeven van gewone tabak, en daar het volgens het toezichthoudend personeelslid ging om een vaste massa en niet om losse tabak.
De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de precieze beschrijving van de waarnemingen in het RAD van 2 september 2024, de directie op redelijke gronden bewezen heeft geacht dat betrokkene zich op die datum schuldig maakte aan het bezet van en handel in verboden substantie. Weliswaar specifieert dit RAD niet dat een vaste massa werd doorgegeven, maar blijkens het RAD van daags nadien werden bij de celcontrole wel degelijk twee blokjes bruine substantie gevonden, waarvoor de celgenoot Sita volgens mededeling van klager ter zitting van 5 november 2024 de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. Sita was blijkens het RAD van 2 september 2024 één van degenen aan wie klager een deel van de substantie uit het pakketje had overhandigd.
Consequent hiermee werd klager niet gesanctioneerd voor de op cel gevonden drugs, maar wel voor het doorgeven ervan daags tevoren, hetgeen tegelijk ook een inbreuk is op het huishoudelijk reglement van de gevangenis (IV, 2.5). Gelet op het gevaar dat druggebruik met zich meebrengt is dit tevens een opzettelijke aantasting van de orde, ook al heeft de directie nagelaten dit in de beslissing expliciet te motiveren.
Uit de tuchtbeslissing blijkt verder dat klager op basis van het RAD van 3 september 2024 werd gesanctioneerd voor de doorgeeflinten die aan de tralie waren gebonden, en waarvan hij op de tuchtzitting beweerde dat ze er al maanden lagen. Het gaat hier om een inbreuk op het huishoudelijk reglement (III.2.3.c), zij het dat de directie ook hier nalaat dit te specifiëren.
Klager werd gesanctioneerd met in totaal 25 dagen ATV, waarvan 4 dagen met uitstel voor de doorgeeflinten (inbeuk van 2de categorie), en derhalve 21 dagen ATV voor het bezit en handel in de verboden substantie (inbreuk van 1ste categorie). De sanctie komt proportioneel voor zodat de beslissing van de directie redelijk is. De klacht wordt ongegrond verklaard.