TUCHT
De klacht betreft het niet overhandigen van een kopie van de tuchtbeslissing aan klager.
Artikel 144, §7 van de Basiswet stelt hierover: “De gedetineerde wordt binnen vierentwintig uur mondeling, in een taal die hij kan verstaan, en schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing […]”. Deze bezorging van de beslissing is een verantwoordelijkheid van de directeur aangezien deze ook de beslissing zelf neemt. Het gaat dan ook minstens om een beslissing namens de directeur.
Artikel 144, §7 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde binnen 24 uur mondeling en schriftelijk in kennis wordt gesteld van de beslissing en de beweegredenen waarop zij steunt. Deze vastgestelde termijn is slechts een termijn van orde, waardoor de laattijdige betekening op zichzelf niet de nietigheid van de beslissing met zich meebrengt.
Bijlage 5a bij CB nr. 124 (de tuchtbeslissing) vereist dat de datum én het tijdstip worden genoteerd waarop de beslissing aan de gedetineerde wordt betekend.
De klachtencommissie merkt op dat de tuchtbeslissing werd ondertekend. Hieruit kan zij afleiden dat er een kopie van de beslissing aan klager werd aangeboden.
De klachtencommissie stelt echter, net als de directie zelf, vast dat er geen datum van betekening werd genoteerd op de beslissing. De klachtencommissie kan dus niet met zekerheid nagaan wanneer de betekening van de beslissing heeft plaatsgevonden.
Het directielid dat het verweer opstelde, schrijft in haar verweer dat zij, n.a.v. klagers gesprek met de PSD op 31 mei 2024, heeft geverifieerd of de tuchtbeslissing reeds door klager was betekend. Dit was het geval. De handtekening op de beslissing zou dus deze van klager zijn.
Klager zou in dat geval kennis moeten hebben gehad van de beslissing (niet alleen via de PSD maar ook via een kopie van de schriftelijke beslissing) op het moment van het schrijven van zijn klacht.
In het geval dat klager géén kennis heeft gekregen van de beslissing alvorens hij deze te horen kreeg via de PSD, is dit een betreurenswaardige en onzorgvuldige manier van handelen. Doch lijkt de – hypothetische – overschrijding van de termijn niet van die aard dat klager schade heeft geleden en dat de overschrijding van de termijn van orde daardoor leidt tot de nietigheid van de tuchtbeslissing.
De klachtencommissie stelt vast dat er onmiskenbaar onzorgvuldigheden zijn gebeurd met betrekking tot de betekening van de beslissing aan de betrokkene. De klachtencommissie verbindt hieraan in huidig dossier bij ontstentenis van belangenschade geen consequenties, maar dringt bij de directie nogmaals aan op meer zorgvuldigheid.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
De klacht betreft het niet overhandigen van een kopie van de tuchtbeslissing aan klager.
Artikel 144, §7 van de Basiswet stelt hierover: “De gedetineerde wordt binnen vierentwintig uur mondeling, in een taal die hij kan verstaan, en schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing […]”. Deze bezorging van de beslissing is een verantwoordelijkheid van de directeur aangezien deze ook de beslissing zelf neemt. Het gaat dan ook minstens om een beslissing namens de directeur.
Artikel 144, §7 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde binnen 24 uur mondeling en schriftelijk in kennis wordt gesteld van de beslissing en de beweegredenen waarop zij steunt. Deze vastgestelde termijn is slechts een termijn van orde, waardoor de laattijdige betekening op zichzelf niet de nietigheid van de beslissing met zich meebrengt.
Bijlage 5a bij CB nr. 124 (de tuchtbeslissing) vereist dat de datum én het tijdstip worden genoteerd waarop de beslissing aan de gedetineerde wordt betekend.
De klachtencommissie merkt op dat de tuchtbeslissing werd ondertekend. Hieruit kan zij afleiden dat er een kopie van de beslissing aan klager werd aangeboden.
De klachtencommissie stelt echter, net als de directie zelf, vast dat er geen datum van betekening werd genoteerd op de beslissing. De klachtencommissie kan dus niet met zekerheid nagaan wanneer de betekening van de beslissing heeft plaatsgevonden.
Het directielid dat het verweer opstelde, schrijft in haar verweer dat zij, n.a.v. klagers gesprek met de PSD op 31 mei 2024, heeft geverifieerd of de tuchtbeslissing reeds door klager was betekend. Dit was het geval. De handtekening op de beslissing zou dus deze van klager zijn.
Klager zou in dat geval kennis moeten hebben gehad van de beslissing (niet alleen via de PSD maar ook via een kopie van de schriftelijke beslissing) op het moment van het schrijven van zijn klacht.
In het geval dat klager géén kennis heeft gekregen van de beslissing alvorens hij deze te horen kreeg via de PSD, is dit een betreurenswaardige en onzorgvuldige manier van handelen. Doch lijkt de – hypothetische – overschrijding van de termijn niet van die aard dat klager schade heeft geleden en dat de overschrijding van de termijn van orde daardoor leidt tot de nietigheid van de tuchtbeslissing.
De klachtencommissie stelt vast dat er onmiskenbaar onzorgvuldigheden zijn gebeurd met betrekking tot de betekening van de beslissing aan de betrokkene. De klachtencommissie verbindt hieraan in huidig dossier bij ontstentenis van belangenschade geen consequenties, maar dringt bij de directie nogmaals aan op meer zorgvuldigheid.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.