Ga verder naar de inhoud

KC20/23-0055

Fondée KC - Mechelen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - KWALIFICATIE INBREUK - BEWIJS

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd met vijftien dagen ATV wegens het vermeende gebruik van een verboden substantie op cel en het uitschelden en bedreigen van personeel. Klager ontkent dat er drugs in zijn tabak zat. Het tuchtdossier bevat twee rapporten. Een eerste RAD werd opgemaakt door een beambte die klager ging lossen voor betekening bij de directeur. Klager zou toen tegen de opsteller gezegd hebben dat opsteller niet binnen mocht in zijn cel. Toen opsteller de celdeur dicht trok, rook zij echter een sterke geur die rook naar een verboden substantie. Hierbij besloot ze toch naar binnen te gaan en zag ze rookwaren liggen in de assenbak. Toen ze hieraan rook, rook ze een verboden substantie. Er waren volgens het RAD geen getuigen bij deze vaststelling. De volgende dag werd een tweede RAD opgemaakt door dezelfde opsteller als het eerste RAD. Tijdens de sluitronde moesten opsteller en haar collega medicatie en papieren afgeven aan klager. Klager sprak de opsteller van het RAD op een onbeleefde manier aan over het rapport aan de directeur (RAD) dat zij de dag voordien had geschreven. Klager heeft haar uitgescholden en bedreigd dat hij haar in elkaar ging slaan. Een personeelslid is moeten tussenkomen.

Klager werd conform de Basiswet in kennis gesteld dat voor beide rapporten een tuchtprocedure werd opgestart. Hij werd regelmatig opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens de zitting ontkende klager de vaststellingen over de geur van een vermoedelijk verboden substantie. Daarentegen ontkende hij niet dat hij het personeelslid had beledigd en bedreigd. Gelet op de bekentenis van klager, meent de klachtencommissie dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de feiten van de beledigingen en bedreigingen kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Deze feiten werden in de tuchtbeslissing gekwalificeerd als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee (tuchtinbreuk van eerste categorie) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (tuchtinbreuk van tweede categorie).

Naast de vermelde tuchtrechtelijke inbreuken, stelt de klachtencommissie vast dat klager ook werd gesanctioneerd voor de tuchtrechtelijke inbreuk van tweede categorie, namelijk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, aangezien deze tuchtinbreuk ook in het vet werd aangeduid op de eerste pagina van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie stelt, desondanks eerdere beslissingen hierover, opnieuw vast dat in de tuchtbeslissing nergens vermeld werd welke regel van het huishoudelijk reglement klager dan heeft geschonden. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan bovendien enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’, een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet.

Tot slot stelt de klachtencommissie vast dat de directie in haar verweer stelt dat er hasj in de tabak zat van klager, dat het gebruik van een verboden substantie op cel geregistreerd werd in het tuchtregister van klager en dat bovenaan de tuchtbeslissing vermeld staat dat de feiten betrekking hebben op het gebruik van een verboden substantie. De klachtencommissie leidt hieruit af dat de directie klager heeft gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie. Nochtans meent de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing daarover niet eenduidig is. De directie is nochtans verplicht om al haar beslissingen genomen in het kader van de Basiswet te motiveren. De redenen die de directie in de beslissing aanhaalt moeten de beslissing voldoende schragen. Het is belangrijk dat de gedetineerde op basis van de gegeven motivatie begrijpt wat de beslissing inhoudt en waarom deze werd genomen. De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtrechtelijke inbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties niet in het vet werd aangeduid en dit in tegenstelling tot de andere tuchtrechtelijke inbreuken. Bovendien meent de klachtencommissie dat de directeur in de motivering van de tuchtbeslissing in het midden laat of de gevonden substantie nu drugs was of niet en of de inbreuk bijgevolg bewezen was. Hij vermeldt immers enkel dat klager ontkende dat hij drugs rookte op zijn kamer en dat de gevonden substantie zal worden overgemaakt aan de politie. De klachtencommissie besluit dat de tuchtbeslissing in die zin verwarrend is opgesteld en dat niet bewezen is dat klager drugs heeft gebruikt. Gelet op het bovenstaande, kon klager zodoende onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing. Dit is in strijd met de motiveringsplicht.

De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en in zoverre klager werd gesanctioneerd voor het gebruik van een verboden substantie.