KC20/22-0014
Non fondée
KC - Mechelen
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de tuchtinbreuk, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA.
De rapporten die de penitentiaire beambten in de uitoefening van hun functie opstellen, vormen voor de gevangenisdirecteur principieel en bij ontstentenis van tegenindicaties een deugdelijke grondslag om het bestaan en de ernst van de feiten te beoordelen.
De beide rapporten aan de directeur beschrijven de feiten nauwkeurig.
Betreffende het feit van de overgooiproblematiek betwist de klager zijn betrokkenheid maar reikt klager geen enkel argument aan om de vaststellingen van dienstdoende beambten te ontkrachten.
Betreffende de verdachte bruine substantie die werd gevonden tijdens een celfouille (van cel waar de klager destijds alleen verbleef) en waarvoor zowel de voorlopige maatregel als de tuchtbeslissing werd opgelegd, neemt de klager geen standpunt in.
Deze feiten worden als tuchtrechtelijke inbreuken van eerste en tweede categorie beschouwd.
Bij de keuze voor de aard en de omvang van de sanctie heeft de directie rekening gehouden met de ernst van de inbreuken, de omstandigheden waarin de inbreuken plaatsvonden, en de antecedenten in het tuchtdossier van de gedetineerde.
De sanctie van 30 dagen individueel regime, ligt binnen de wettelijke mogelijkheden, is redelijk en billijk, en voldoende gemotiveerd.
De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de tuchtinbreuk, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA.
De rapporten die de penitentiaire beambten in de uitoefening van hun functie opstellen, vormen voor de gevangenisdirecteur principieel en bij ontstentenis van tegenindicaties een deugdelijke grondslag om het bestaan en de ernst van de feiten te beoordelen.
De beide rapporten aan de directeur beschrijven de feiten nauwkeurig.
Betreffende het feit van de overgooiproblematiek betwist de klager zijn betrokkenheid maar reikt klager geen enkel argument aan om de vaststellingen van dienstdoende beambten te ontkrachten.
Betreffende de verdachte bruine substantie die werd gevonden tijdens een celfouille (van cel waar de klager destijds alleen verbleef) en waarvoor zowel de voorlopige maatregel als de tuchtbeslissing werd opgelegd, neemt de klager geen standpunt in.
Deze feiten worden als tuchtrechtelijke inbreuken van eerste en tweede categorie beschouwd.
Bij de keuze voor de aard en de omvang van de sanctie heeft de directie rekening gehouden met de ernst van de inbreuken, de omstandigheden waarin de inbreuken plaatsvonden, en de antecedenten in het tuchtdossier van de gedetineerde.
De sanctie van 30 dagen individueel regime, ligt binnen de wettelijke mogelijkheden, is redelijk en billijk, en voldoende gemotiveerd.
De klacht is ongegrond.