KC17/26-0027
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en beschrijft dat klager iets in zijn broekzak heeft gestoken dat hij van een medegedetineerde op de wandeling heeft ontvangen. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager dat niet weet wat hij zou kunnen hebben ontvangen, buiten een aansteker of tabak. In zijn klacht geeft klager echter zelf aan dat hij de aansteker erna heeft teruggeven, en ontkent hij niet dat hij tabak heeft ontvangen. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat uit de stukken van de tuchtprocedure van de medegedetineerde van klager duidelijk blijkt dat die tabak heeft uitgedeeld en dit zowel in zijn klacht, als op de tuchtrechtelijke hoorzitting toegeeft. De klachtencommissie benadrukt dat uit de tuchtbeslissing blijkt dat klager niet tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor het bezit van of de handel in drugs, maar enkel voor een inbreuk op het huishoudelijk reglement, namelijk het verbod op leningen en schenkingen tussen gedetineerden. De door klager aangehaalde argumenten in zijn klacht, namelijk dat het RAD niet over drugs spreekt en dat hij geen fouillering op zijn lichaam heeft moeten ondergaan, hebben bijgevolg geen invloed op het al dan niet bewezen zijn van de feiten. Het ontvangen van tabak op de wandeling is een verboden schenking in de zin van het huishoudelijk reglement. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en beschrijft dat klager iets in zijn broekzak heeft gestoken dat hij van een medegedetineerde op de wandeling heeft ontvangen. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager dat niet weet wat hij zou kunnen hebben ontvangen, buiten een aansteker of tabak. In zijn klacht geeft klager echter zelf aan dat hij de aansteker erna heeft teruggeven, en ontkent hij niet dat hij tabak heeft ontvangen. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat uit de stukken van de tuchtprocedure van de medegedetineerde van klager duidelijk blijkt dat die tabak heeft uitgedeeld en dit zowel in zijn klacht, als op de tuchtrechtelijke hoorzitting toegeeft. De klachtencommissie benadrukt dat uit de tuchtbeslissing blijkt dat klager niet tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor het bezit van of de handel in drugs, maar enkel voor een inbreuk op het huishoudelijk reglement, namelijk het verbod op leningen en schenkingen tussen gedetineerden. De door klager aangehaalde argumenten in zijn klacht, namelijk dat het RAD niet over drugs spreekt en dat hij geen fouillering op zijn lichaam heeft moeten ondergaan, hebben bijgevolg geen invloed op het al dan niet bewezen zijn van de feiten. Het ontvangen van tabak op de wandeling is een verboden schenking in de zin van het huishoudelijk reglement. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.