TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten volgens de vermelding in de tuchtbeslissing gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het “RAD” van 30 september 2025. Zowel boven de tabel als in de motivering wordt hiernaar verwezen. In het verslag van de tuchtzitting wordt dan weer verwezen naar het “RAD” van 1 oktober 2025. De klachtencommissie stelt vast dat het administratief dossier geen enkel RAD bevat. De directeur heeft zich volgens de klachtencommissie gebaseerd op het bevel tot voorlopige aanhouding, doch vermeldde dit niet als zodanig. De vaststellingen zijn duidelijk en helder omschreven in het bevel tot voorlopige aanhouding. Klager betwistte de feiten ter tuchtzitting niet. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
Hoewel klager zich op het ogenblik van de vaststellingen (nog) niet in de gevangenis bevond, meent de klachtencommissie dat er sprake is van een tuchtinbreuk, aangezien klager zich na een penitentiair verlof op de terugweg richting gevangenis bevond en in het bezit van verboden substanties werd aangetroffen, die hij van plan was mee binnen te nemen. Dat hij er niet in slaagde de drugs in de gevangenis binnen te brengen is te wijten aan het doortastend optreden van de politie. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) correct en afdoende gemotiveerd.
De tuchtinbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) werd aangekruist, doch nergens in de motivering werd toegelicht in welke zin de feiten een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken. De klachtencommissie meent dat deze inbreuk geschrapt dient te worden.
De directie motiveerde als volgt dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten: “Ongeacht de feit betrokkene geïnterneerd is hij verantwoordelijk geacht van zijn daden [sic] omdat hij coherent verhaal vertelde op de tuchthoorzitting dat overeenkomt met de verklaring bij de politie.” De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, handelt over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het moment van de tuchtzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. In haar verweer tegen de klacht haalt de directie méér elementen aan om de toerekenbaarheid te motiveren. Ze verwijst met name naar de stukken die door de politie werden opgesteld, waaruit blijkt dat de feiten goed gepland waren en klager helder en coherent was op het moment dat hij de drugs in ontvangst nam. Door deze elementen aan te halen sprak de directie zich volgens de klachtencommissie wél afdoende uit over de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Een gebrekkige tuchtbeslissing kan echter niet gecorrigeerd worden middels het verweer tegen een klacht. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De nog lopende tuchtsanctie dient onmiddellijk te worden stopgezet. De klachtencommissie vindt het niet opportuun om een tegemoetkoming toe te kennen.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten volgens de vermelding in de tuchtbeslissing gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het “RAD” van 30 september 2025. Zowel boven de tabel als in de motivering wordt hiernaar verwezen. In het verslag van de tuchtzitting wordt dan weer verwezen naar het “RAD” van 1 oktober 2025. De klachtencommissie stelt vast dat het administratief dossier geen enkel RAD bevat. De directeur heeft zich volgens de klachtencommissie gebaseerd op het bevel tot voorlopige aanhouding, doch vermeldde dit niet als zodanig. De vaststellingen zijn duidelijk en helder omschreven in het bevel tot voorlopige aanhouding. Klager betwistte de feiten ter tuchtzitting niet. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
Hoewel klager zich op het ogenblik van de vaststellingen (nog) niet in de gevangenis bevond, meent de klachtencommissie dat er sprake is van een tuchtinbreuk, aangezien klager zich na een penitentiair verlof op de terugweg richting gevangenis bevond en in het bezit van verboden substanties werd aangetroffen, die hij van plan was mee binnen te nemen. Dat hij er niet in slaagde de drugs in de gevangenis binnen te brengen is te wijten aan het doortastend optreden van de politie. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) correct en afdoende gemotiveerd.
De tuchtinbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) werd aangekruist, doch nergens in de motivering werd toegelicht in welke zin de feiten een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken. De klachtencommissie meent dat deze inbreuk geschrapt dient te worden.
De directie motiveerde als volgt dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten: “Ongeacht de feit betrokkene geïnterneerd is hij verantwoordelijk geacht van zijn daden [sic] omdat hij coherent verhaal vertelde op de tuchthoorzitting dat overeenkomt met de verklaring bij de politie.” De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, handelt over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het moment van de tuchtzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. In haar verweer tegen de klacht haalt de directie méér elementen aan om de toerekenbaarheid te motiveren. Ze verwijst met name naar de stukken die door de politie werden opgesteld, waaruit blijkt dat de feiten goed gepland waren en klager helder en coherent was op het moment dat hij de drugs in ontvangst nam. Door deze elementen aan te halen sprak de directie zich volgens de klachtencommissie wél afdoende uit over de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Een gebrekkige tuchtbeslissing kan echter niet gecorrigeerd worden middels het verweer tegen een klacht. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De nog lopende tuchtsanctie dient onmiddellijk te worden stopgezet. De klachtencommissie vindt het niet opportuun om een tegemoetkoming toe te kennen.