Ga verder naar de inhoud

KC17/25-0021

Non fondée Irrecevable KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire
TUCHT - SANCTIE - VORMING

De klacht betreft een tuchtbeslissing en het niet reageren op meldingen van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Daarnaast ontkent klager op geen enkel moment de gepleegde feiten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst en de herhaling van de feiten. Om die redenen is dit aspect van de klacht kennelijk ongegrond.

Klager beklaagt zich in zijn klacht over het feit dat hij tijdens zijn ATV niet mag deelnemen aan sessies omtrent drugsgebruik en de katholieke eredienst. De klachtencommissie wijst klager op het feit dat datgene waarover hij klaagt – namelijk het niet kunnen deelnemen aan vormingssessies omtrent drugs en de katholieke eredienst – neerkomt op wat de tuchtsanctie van ATV inhoudt. Artikel 140, §2, eerste lid van de Basiswet bepaalt namelijk “voor de duur van deze tuchtsanctie blijft de gedetineerde ontzegd van het recht om deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten”.

Echter, artikel 140, §2, eerste lid voorziet in een uitdrukkelijke uitzondering wat betreft vormingsactiviteiten in gemeenschappelijk verband en activiteiten die verband houden met de eredienst of levensbeschouwing. Hiervoor kan de directie een uitzondering toestaan. Dit wil zeggen dat de directie kan toestaan dat de gedetineerde, ondanks zijn ATV, mag deelnemen aan deze gemeenschappelijke activiteiten. Echter is het de verantwoordelijkheid van de gedetineerde om een verzoek voor deelname aan dergelijke activiteiten in te dienen. Nergens uit de dossierstukken blijkt dat klager dergelijk verzoek zou hebben ingediend. Ook tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager hier niet over gesproken. De klachtencommissie meent dat de directie dan ook moeilijk verweten kan worden om de wet te hebben toegepast op dit punt. Om die reden is de klacht met betrekking tot niet mogen deelnemen aan de aan de groepsactiviteiten tijdens klagers ATV kennelijk ongegrond.

Klager beklaagt zich bovendien over het feit dat er met zijn eerdere meldingen bij de directie niks gedaan wordt. Echter stelt de klachtencommissie vast dat klager in zijn klacht niet concreet aangeeft om welke meldingen het gaat, noch hoe lang of in welk opzicht de directie zou hebben nagelaten om hierop te reageren. Hierdoor ontbreekt een duidelijke basis om dit aspect inhoudelijk te onderzoeken. Bovendien blijkt uit het verweer van de directie dat de meldingen betrekking zouden hebben op medegedetineerden, hetgeen in ieder geval geen rechtstreeks verband houdt met klagers bejegening binnen de inrichting. Om die redenen is deze klacht kennelijk niet-ontvankelijk.