BC/25-0199
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
Disciplinaire
TUCHT
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij twee klachten ontvankelijk, maar niet gegrond werden verklaard en één klacht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De initiële eerste klacht was gericht tegen een tuchtbeslissing van dertig dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie (het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties). Klager werd na de wandeling in het bezit aangetroffen van verschillende verboden substanties (een plastiek zakje marihuana, een bolletje hasj en een staafje met hasj gewikkeld in papier). Op de tuchtzitting heeft hij de feiten toegegeven. Gelet op de duidelijke vaststellingen in het RAD, de bekentenissen van klager op de tuchtzitting en de omstandige motivering van de tuchtbeslissing, ziet de beroepscommissie, net zoals de klachtencommissie, niet in waarom deze beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk zou zijn. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
De initiële tweede klacht was gericht tegen gevolgen van de vermelde tuchtbeslissing, meer specifiek dat klager niet kon deelnemen aan bepaalde activiteiten (sessies over drugsgebruik, de katholieke eredienst en lessen). De klachtencommissie oordeelde terecht dat het in principe aan de gedetineerde, die een in artikel 140, § 2, eerste lid Basiswet bedoelde uitzondering wil, zelf toekomt om zo een verzoek aan de directie te richten. Dit kan anticipatief op het moment van de tuchtzitting, maar evengoed daarna. Uit het dossier blijkt niet dat klager zo een verzoek heeft gericht aan de directie, noch op de tuchtzitting (waar hij via zijn advocaat enkel maar een uitzondering vroeg voor bezoek), noch daarna. Gelet op het gebrek aan een uitdrukkelijk verzoek van klager om uitzonderingen te voorzien met betrekking tot de uitvoering van zijn ATV-sanctie op het vlak van de vermelde regimeaspecten, kan de directie in ieder geval niet worden verweten dat zij geen zulke uitzonderingen heeft toegekend. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
De initiële derde klacht was gericht tegen het verzuim van de directie om iets te doen aan bedreigingen die klager zou ontvangen van medegedetineerden. De beroepscommissie kan de klachtencommissie volgen in haar oordeel dat niet duidelijk blijkt in welk opzicht de directie zou hebben verzuimd om te reageren op bepaalde specifieke meldingen die klager ten aanzien van haar zou hebben gedaan. De klachtencommissie heeft de klacht terecht afgewezen als niet-ontvankelijk. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij twee klachten ontvankelijk, maar niet gegrond werden verklaard en één klacht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De initiële eerste klacht was gericht tegen een tuchtbeslissing van dertig dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie (het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties). Klager werd na de wandeling in het bezit aangetroffen van verschillende verboden substanties (een plastiek zakje marihuana, een bolletje hasj en een staafje met hasj gewikkeld in papier). Op de tuchtzitting heeft hij de feiten toegegeven. Gelet op de duidelijke vaststellingen in het RAD, de bekentenissen van klager op de tuchtzitting en de omstandige motivering van de tuchtbeslissing, ziet de beroepscommissie, net zoals de klachtencommissie, niet in waarom deze beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk zou zijn. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
De initiële tweede klacht was gericht tegen gevolgen van de vermelde tuchtbeslissing, meer specifiek dat klager niet kon deelnemen aan bepaalde activiteiten (sessies over drugsgebruik, de katholieke eredienst en lessen). De klachtencommissie oordeelde terecht dat het in principe aan de gedetineerde, die een in artikel 140, § 2, eerste lid Basiswet bedoelde uitzondering wil, zelf toekomt om zo een verzoek aan de directie te richten. Dit kan anticipatief op het moment van de tuchtzitting, maar evengoed daarna. Uit het dossier blijkt niet dat klager zo een verzoek heeft gericht aan de directie, noch op de tuchtzitting (waar hij via zijn advocaat enkel maar een uitzondering vroeg voor bezoek), noch daarna. Gelet op het gebrek aan een uitdrukkelijk verzoek van klager om uitzonderingen te voorzien met betrekking tot de uitvoering van zijn ATV-sanctie op het vlak van de vermelde regimeaspecten, kan de directie in ieder geval niet worden verweten dat zij geen zulke uitzonderingen heeft toegekend. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
De initiële derde klacht was gericht tegen het verzuim van de directie om iets te doen aan bedreigingen die klager zou ontvangen van medegedetineerden. De beroepscommissie kan de klachtencommissie volgen in haar oordeel dat niet duidelijk blijkt in welk opzicht de directie zou hebben verzuimd om te reageren op bepaalde specifieke meldingen die klager ten aanzien van haar zou hebben gedaan. De klachtencommissie heeft de klacht terecht afgewezen als niet-ontvankelijk. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.