KC17/25-0015
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT – VERBODEN SUBSTANTIES
Klager dient een klacht in tegen een tuchtbeslissing. Hij is het niet eens met de beslissing omdat hij een tuchtsanctie van 10 dagen ATV heeft gekregen, en dit zonder enige reden. Klager is aan het vasten (ramadan) en bijgevolg rookt hij ’s ochtends niet. Klager meent dat zijn celgenoot verantwoordelijk is. Bovendien kreeg zijn celgenoot een tuchtsanctie van maar 7 dagen ATV. Klager meent dat dit onrechtvaardig is.
Klager en blijkbaar ook zijn celgenoot ontkennen dat zij iets te maken hebben met de drugs gevonden in hun cel. Zijn bewering dat hij niets wist van de drugs is niet aannemelijk. De substantie werd immers gevonden op de tafel (!), die dagelijks gebruikt wordt door beide celgenoten. Redelijkerwijs kan dus niets anders worden aangenomen dan dat klager minstens van op de hoogte was dat de kwestieuze substantie er was. Bovendien heeft hij geen enkel initiatief genomen om de directie op een discrete manier in te lichten of om te vragen om een celmutatie. Het is aannemelijk dat klager minstens op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs op de cel. In die zin is er minstens sprake van een deelneming in de zin van artikel 131 van de Basiswet. Dit artikel voorziet immers dat deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. Zij heeft haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden in het bewezen achten van de feiten en de toerekening hiervan aan klager. Volgens de klachtencommissie zijn er voldoende elementen die erop wijzen dat hij minstens betrokken was bij het plegen van deze tuchtinbreuk.
De klacht is om deze redenen ongegrond. De bestreden beslissing blijft bestaan.
Klager dient een klacht in tegen een tuchtbeslissing. Hij is het niet eens met de beslissing omdat hij een tuchtsanctie van 10 dagen ATV heeft gekregen, en dit zonder enige reden. Klager is aan het vasten (ramadan) en bijgevolg rookt hij ’s ochtends niet. Klager meent dat zijn celgenoot verantwoordelijk is. Bovendien kreeg zijn celgenoot een tuchtsanctie van maar 7 dagen ATV. Klager meent dat dit onrechtvaardig is.
Klager en blijkbaar ook zijn celgenoot ontkennen dat zij iets te maken hebben met de drugs gevonden in hun cel. Zijn bewering dat hij niets wist van de drugs is niet aannemelijk. De substantie werd immers gevonden op de tafel (!), die dagelijks gebruikt wordt door beide celgenoten. Redelijkerwijs kan dus niets anders worden aangenomen dan dat klager minstens van op de hoogte was dat de kwestieuze substantie er was. Bovendien heeft hij geen enkel initiatief genomen om de directie op een discrete manier in te lichten of om te vragen om een celmutatie. Het is aannemelijk dat klager minstens op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs op de cel. In die zin is er minstens sprake van een deelneming in de zin van artikel 131 van de Basiswet. Dit artikel voorziet immers dat deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.
De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. Zij heeft haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden in het bewezen achten van de feiten en de toerekening hiervan aan klager. Volgens de klachtencommissie zijn er voldoende elementen die erop wijzen dat hij minstens betrokken was bij het plegen van deze tuchtinbreuk.
De klacht is om deze redenen ongegrond. De bestreden beslissing blijft bestaan.