KC17/24-0021
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - TOEREKENBAARHEID
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing.
De directie voert verschillende elementen aan, op basis waarvan zij klagers schuld vaststelt.
Zo voert de directie aan dat klager minstens “op de hoogte is en bijgevolg medeplichtig is aan het bezit van de gsm”. De klachtencommissie meent dat een louter “op de hoogte zijn van” onvoldoende is om te spreken van medeplichtigheid. Medeplichtigheid veronderstelt een actieve daad van medeplichtigheid. In dit opzicht, meent de klachtencommissie dat de directie zich wél kon baseren op het feit dat de gsm in de melkfles verstopt zat en klager deze had aangekocht. Dit volstaat volgens de klachtencommissie om te spreken van medeplichtigheid en klager aldus individueel verantwoordelijk te houden voor de tuchtinbreuk.
Daarnaast haalt de directie ook nog aan dat klagers bezoekers – moeder en stiefvader – recent betrapt werden op het overgooien van een “pakje”. De directie leidt hieruit af dat “deze feiten […] de context schetsen van het hardnekkig blijven proberen een gsm te bemachtigen.” Zij laat echter na te specifiëren wat het “pakje” bevatte en of dit een gsm betrof. De klachtencommissie kan met dit argument dan ook geen rekening houden bij de beoordeling van de (on)schuld van klager, aangezien zij de redenering van de directie (“het hardnekkig blijven proberen bemachtigen van een gsm”) onmogelijk kan nagaan.
Tot slot wijst de klachtencommissie de directie op het feit dat klagers antecedenten – het feit dat hij vroeger in het bezit was van meerdere gsm’s – op geen enkele manier kunnen meespelen bij de beoordeling van klagers schuld aan de huidige tuchtinbreuk. Er anders over oordelen, schendt het vermoeden van onschuld.
De klachtencommissie acht de tuchtsanctie wettig en redelijk.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing.
De directie voert verschillende elementen aan, op basis waarvan zij klagers schuld vaststelt.
Zo voert de directie aan dat klager minstens “op de hoogte is en bijgevolg medeplichtig is aan het bezit van de gsm”. De klachtencommissie meent dat een louter “op de hoogte zijn van” onvoldoende is om te spreken van medeplichtigheid. Medeplichtigheid veronderstelt een actieve daad van medeplichtigheid. In dit opzicht, meent de klachtencommissie dat de directie zich wél kon baseren op het feit dat de gsm in de melkfles verstopt zat en klager deze had aangekocht. Dit volstaat volgens de klachtencommissie om te spreken van medeplichtigheid en klager aldus individueel verantwoordelijk te houden voor de tuchtinbreuk.
Daarnaast haalt de directie ook nog aan dat klagers bezoekers – moeder en stiefvader – recent betrapt werden op het overgooien van een “pakje”. De directie leidt hieruit af dat “deze feiten […] de context schetsen van het hardnekkig blijven proberen een gsm te bemachtigen.” Zij laat echter na te specifiëren wat het “pakje” bevatte en of dit een gsm betrof. De klachtencommissie kan met dit argument dan ook geen rekening houden bij de beoordeling van de (on)schuld van klager, aangezien zij de redenering van de directie (“het hardnekkig blijven proberen bemachtigen van een gsm”) onmogelijk kan nagaan.
Tot slot wijst de klachtencommissie de directie op het feit dat klagers antecedenten – het feit dat hij vroeger in het bezit was van meerdere gsm’s – op geen enkele manier kunnen meespelen bij de beoordeling van klagers schuld aan de huidige tuchtinbreuk. Er anders over oordelen, schendt het vermoeden van onschuld.
De klachtencommissie acht de tuchtsanctie wettig en redelijk.