KC17/23-0071
Irrecevable
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Pas de décision de la direction
OVERPLAATSING - ZORGPLICHT
De klachtencommissie is bevoegd voor het behandelen van klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur ten aanzien van een gedetineerde werden genomen. Een gedetineerde kan ook klacht indien tegen het verzuim of de weigering van de directeur om een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn.
Een beslissing tot overplaatsing is geen beslissing die door de directeur wordt genomen, maar door een ambtenaar van de penitentiaire administratie die daartoe door de Directeur-Generaal wordt aangewezen.
De klachtencommissie is dus niet bevoegd om kennis te nemen van klachten tegen een beslissing tot overplaatsing.
Tegen de beslissing tot overplaatsing dient een gedetineerde een bezwaar in te dienen bij de Directeur-Generaal van de penitentiaire administratie (DG EPI). Vervolgens kan de gedetineerde tegen de beslissing van DG EPI beroep instellen bij de Beroepscommissie.
De klacht richt zich weliswaar niet tegen een beslissing tot overplaatsing an sich, maar tegen het nalaten van de directie om een verzoek tot overplaatsing in te dienen om op die manier klagers veiligheid te garanderen.
De directie is gehouden tot een zorgplicht. De Nederlandstalige Beroepscommissie interpreteert “de zorgplicht” als volgt:
“Artikel 5 §2 van de Basiswet legt volgens de wetgever “de onontkoombare zorgplicht op om bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, zowel de interne als de externe veiligheid te vrijwaren”. Onder de interne veiligheid wordt onder meer verstaan “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt”. Overeenkomstig artikel 105 §2 van de Basiswet draagt het inrichtingshoofd bovendien de “verantwoordelijkheid” voor de handhaving van dit aspect van de interne veiligheid.”
Het nalaten van het indienen van een aanvraag tot overplaatsing om op die manier klagers veiligheid te garanderen, kan een tekortkoming aan de zorgplicht van de directie inhouden en aldus een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet.
Uit het schriftelijk verweer van de directie is echter gebleken dat de directie op 21/11/2023 en op 27/11/2023 een aanvraag tot overplaatsing heeft ingediend. Hieruit volgt dat de directie niet heeft verzuimd aan haar zorgplicht en er dus geen sprake is van een ontvankelijke klacht.
Tot slot merkt de klachtencommissie op dat de directie in haar schriftelijk verweer heeft aangegeven dat op 12/09/2023 ook een aanvraag tot overplaatsing is ingediend, maar aangezien klager slechts sinds 19/10/2022 in de gevangenis van Leuven-Hulp verblijft, kan de klachtencommissie hiermee geen rekening houden bij het beoordelen van het vermeend verzuim aan de zorgplicht.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie is bevoegd voor het behandelen van klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur ten aanzien van een gedetineerde werden genomen. Een gedetineerde kan ook klacht indien tegen het verzuim of de weigering van de directeur om een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn.
Een beslissing tot overplaatsing is geen beslissing die door de directeur wordt genomen, maar door een ambtenaar van de penitentiaire administratie die daartoe door de Directeur-Generaal wordt aangewezen.
De klachtencommissie is dus niet bevoegd om kennis te nemen van klachten tegen een beslissing tot overplaatsing.
Tegen de beslissing tot overplaatsing dient een gedetineerde een bezwaar in te dienen bij de Directeur-Generaal van de penitentiaire administratie (DG EPI). Vervolgens kan de gedetineerde tegen de beslissing van DG EPI beroep instellen bij de Beroepscommissie.
De klacht richt zich weliswaar niet tegen een beslissing tot overplaatsing an sich, maar tegen het nalaten van de directie om een verzoek tot overplaatsing in te dienen om op die manier klagers veiligheid te garanderen.
De directie is gehouden tot een zorgplicht. De Nederlandstalige Beroepscommissie interpreteert “de zorgplicht” als volgt:
“Artikel 5 §2 van de Basiswet legt volgens de wetgever “de onontkoombare zorgplicht op om bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, zowel de interne als de externe veiligheid te vrijwaren”. Onder de interne veiligheid wordt onder meer verstaan “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt”. Overeenkomstig artikel 105 §2 van de Basiswet draagt het inrichtingshoofd bovendien de “verantwoordelijkheid” voor de handhaving van dit aspect van de interne veiligheid.”
Het nalaten van het indienen van een aanvraag tot overplaatsing om op die manier klagers veiligheid te garanderen, kan een tekortkoming aan de zorgplicht van de directie inhouden en aldus een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet.
Uit het schriftelijk verweer van de directie is echter gebleken dat de directie op 21/11/2023 en op 27/11/2023 een aanvraag tot overplaatsing heeft ingediend. Hieruit volgt dat de directie niet heeft verzuimd aan haar zorgplicht en er dus geen sprake is van een ontvankelijke klacht.
Tot slot merkt de klachtencommissie op dat de directie in haar schriftelijk verweer heeft aangegeven dat op 12/09/2023 ook een aanvraag tot overplaatsing is ingediend, maar aangezien klager slechts sinds 19/10/2022 in de gevangenis van Leuven-Hulp verblijft, kan de klachtencommissie hiermee geen rekening houden bij het beoordelen van het vermeend verzuim aan de zorgplicht.
De klacht is niet-ontvankelijk.