Ga verder naar de inhoud

KC17/23-0066

Non fondée KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - TAAL - CAMERABEELDEN

Klager dient twee klachtenformulieren in tegen dezelfde tuchtbeslissing. Het eerste klachtenformulier is opgesteld in het Engels. Het tweede is opgesteld in het Nederlands, met behulp van een lid van de Commissie van Toezicht.

Wat betreft de ontvankelijkheid van het eerste klachtenformulier, oordeelt de klachtencommissie dat de klacht ontvankelijk is. De Basiswet bepaalt namelijk geen uitdrukkelijke sanctie bij het gebruik van een andere dan de voorgeschreven taal bij het indienen van de klacht. Bovendien legt zij de verplichting op tot het voorzien van de nodige bijstand bij het indienen van de klacht. In het verweer van de directie wordt verwezen naar de mogelijkheid voor klager om bijstand te vragen bij het opstellen van zijn klacht, maar hieruit kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat klager effectief bijstand werd verleend. Om beroep te doen op deze mogelijkheid, moet een gedetineerde namelijk op de hoogte zijn van het bestaan van deze mogelijkheid. De klachtencommissie meent dat de directie hierin een proactieve rol heeft. Uit de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat onvoldoende bijstand werd verleend aan klager bij het opstellen van zijn klacht. De uitleg van de cipier die klager het klachtenformulier heeft overhandigd, volstaat niet om van “voldoende bijstand” te kunnen spreken. De directie draagt de verantwoordelijkheid voor deze bijstand. Hieruit volgt dat het loutere feit dat een klacht is geschreven in een andere taal dan de voorgeschreven taal, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de klacht. Dit volgt ook ondubbelzinnig uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling. De klacht, zoals opgenomen in het eerste klachtenformulier, is dan ook ontvankelijk. De klachtencommissie dient zich bijgevolg niet meer uit te spreken over de ontvankelijkheid van het tweede klachtenformulier.

Wat betreft de gegrondheid van de klacht, meent de klachtencommissie dat het RAD voldoende gedetailleerd is en ziet geen reden om aan de juistheid ervan te twijfelen.

Klager verzocht tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting om de camerabeelden van het incident te bekijken. De directie achtte dit niet nodig. Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden.

De klachtencommissie meent dat de tuchtsanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.