Ga verder naar de inhoud

KC17/23-0001

Fondée Irrecevable KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - TERMIJN - RECHT OP TEGENSPRAAK - REGIMEMUTATIE

Klager kruiste in het formulier het vakje van de bijzondere veiligheidsmaatregel aan. Uit de verdere motivering blijkt evenwel dat het gaat om de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel. Klager verwijst immers letterlijk naar de bewoordingen in de motivatie van deze beslissing. Het kan klager niet kwalijk genomen worden dat hij zich vergiste bij de kwalificatie van de beslissing waartegen hij klacht wenste in te dienen. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ontvankelijk.
Het RAD geeft aan dat klager en medegedetineerde rustig terugkeerden naar hun cel na het incident op de wandeling. Uit de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel, noch uit het RAD kan de klachtencommissie afleiden waarom een voorlopige maatregel nog noodzakelijk was. De motivering waarom het gedrag een gevaar uitmaakte voor de orde en de veiligheid is evenmin afdoend. Bijgevolg beantwoordt de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel niet aan de motiveringsverplichting uit de Basiswet.
De klachtencommissie stelt daarnaast vast dat men met deze maatregel eigenlijk de maatregel “het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte” oplegt en dit onder de maatregel “de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten” verschuilt. De collectieve brief nr. 124 “Tuchtregime van gedetineerden” is nochtans duidelijk. Het kan niet de bedoeling zijn een zwaardere voorlopige maatregel te maskeren onder een lichtere.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.

De beschrijving in het RAD toont niet aan dat klager de gedetineerde beledigd zou hebben. De directie baseerde zich op de verklaring van de medegedetineerde alsook uit observaties van het personeel.
De rechten van verdediging zijn geschonden, indien blijkt dat een persoon in detentie geen tegenspraak heeft kunnen voeren over gegevens die cruciaal zijn voor de beoordeling van de tenlastelegging en de geloofwaardigheid van zijn verweer.
De Basiswet is zeer duidelijk. Als de directeur een getuige hoort, moet dit in aanwezigheid van de gedetineerde zijn. Minstens moet de gedetineerde geïnformeerd worden over het resultaat, zodat hij of in voorkomend geval zijn advocaat verweer kunnen voeren.
Wat vaststaat is dat de medegedetineerde werd gehoord én zijn verklaring onmiskenbaar een rol speelde bij de tuchtbeslissing. Dit blijkt zowel uit het verslag van de tuchtzitting als uit de motivering van de tuchtbeslissing ten aanzien van klager.
Klager had niet de mogelijkheid om zijn verweer te voeren op de verklaringen van de medegedetineerde. Zijn rechten van verdediging zijn dan ook geschonden. De klacht tegen de tuchtbeslissing is gegrond.

De beslissing om klager onder te brengen in het zorgregime werd al bij aanvang van zijn verblijf in de hulpgevangenis van Leuven genomen. Dit onderdeel van de klacht heeft geen betrekking op een recente beslissing van de directeur en werd niet ingediend uiterlijk de zevende dag waarop klager kennis kreeg van de beslissing.
De klacht van de gedetineerde is dan ook te laat. Daarnaast kan de klachtencommissie niet afleiden of klager recent een nieuw verzoek indiende om te veranderen van regime.
De klacht tegen de beslissing om klager te plaatsen in het zorgregime is onontvankelijk.