KC16/26-0172
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 mei 2026 een tuchtsanctie van 3 dagen ATV voor het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten op basis daarvan bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg 3 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. Klager voert in zijn klacht aan dat het directielid dat de tuchtbeslissing ten aanzien van hem oplegde voorheen bij de PSD werkte en daar zijn dossier behandelde. De bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties berust bij de directeur (artikel 127, §1 Basiswet). Ongeacht de vorige functie van het directielid stelt de klachtencommissie vast dat zij op het ogenblik van de tuchtbeslissing aangesteld was als directeur in de zin van artikel 2, 13° Basiswet en dus bevoegd was om de tuchtbeslissing ten aanzien van klager op te leggen. Dat zij voorheen werkzaam was als PSD medewerkster betekent volgens de klachtencommissie niet dat zij nadien als directielid niet de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid aan de dag zou kunnen leggen. De klachtencommissie kan wat betreft dit aspect dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 mei 2026 een tuchtsanctie van 3 dagen ATV voor het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten op basis daarvan bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie en kreeg 3 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. Klager voert in zijn klacht aan dat het directielid dat de tuchtbeslissing ten aanzien van hem oplegde voorheen bij de PSD werkte en daar zijn dossier behandelde. De bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties berust bij de directeur (artikel 127, §1 Basiswet). Ongeacht de vorige functie van het directielid stelt de klachtencommissie vast dat zij op het ogenblik van de tuchtbeslissing aangesteld was als directeur in de zin van artikel 2, 13° Basiswet en dus bevoegd was om de tuchtbeslissing ten aanzien van klager op te leggen. Dat zij voorheen werkzaam was als PSD medewerkster betekent volgens de klachtencommissie niet dat zij nadien als directielid niet de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid aan de dag zou kunnen leggen. De klachtencommissie kan wat betreft dit aspect dan ook geen onregelmatigheid vaststellen. De klacht is ongegrond.