Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0148

Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Autre décision directeur
INDIVIDUEEL DETENTIEPLAN - VERZUIM

Klager beklaagt zich over het feit dat de beslissing van de klachtencommissie van 10 maart 2025 (dossier KC16/24-0301) niet uitgevoerd wordt. DIe beslissing van de klachtencommissie dateert van 10 maart 2025 en luidde als volgt: “Hoewel de Basiswet bepaalt dat het detentieplan wordt opgesteld rekening houdende met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie (artikel 38, §3, derde lid Basiswet) is het ook onredelijk en onbillijk dat de directie nog niet is gestart met het detentieplan van klager terwijl DG EPI al in 2021 een communicatie heeft rondgestuurd, samen met een informatiedocument van tien pagina’s inclusief sjablonen voor het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie en de vorm van het detentieplan én klager de nood lijkt te voelen om te worden begeleid in de terugkeer naar de vrije samenleving gelet op de tijdsvoorwaarden waarin hij zich binnenkort bevindt. Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie draagt de directeur, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat gestart kan worden met de opmaak van een individueel detentieplan van klager, binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze uitspraak.”

In haar schriftelijk verweer van 22 juni 2026 schrijft de directie dat momenteel een detentieplan wordt opgemaakt. Het werkproces zou lopende zijn. De PSD zou bezig zijn met het opstellen van het detentieplan. De directie brengt van dit alles geen schriftelijk bewijs aan. Uit de verklaringen van klager ter zitting blijkt dat hij eind juni 2026 (na indiening van de klacht) opgeroepen werd om een document te ondertekenen waarmee het traject om een detentieplan uit te werken opgestart werd. Ook een eerste verkennend gesprek met de PSD vond plaats eind juni 2026. De klachtencommissie stelt vast dat de directie niet tijdig voldaan heeft aan (een begin van) uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie nu zij het opstellen van het detentieplan pas heeft aangevat nadat klager er opnieuw een klacht over indiende. Ongeacht de inspanningen die de directie de afgelopen weken mogelijks leverde, was er op het ogenblik van indiening van de klacht aldus sprake van een verzuim in hoofde van de directie om de beslissing van de klachtencommissie uit te voeren. Om deze reden is de klacht gegrond.

Aangezien de gevolgen van het verzuim intussen ongedaan gemaakt werden, meent de klachtencommissie dat klager niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet).