KC16/26-0103
Non fondée
Irrecevable
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - TERMIJN - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam van 30 oktober 2025. Klager dient zijn klacht pas op 26 maart 2026 en dus laattijdig in, zonder daarbij enige reden voor deze laattijdigheid te vermelden. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel van 25 februari 2026. De directeur besliste om klager verplicht te laten verblijven in de hem toegewezen verblijfsruimte en uit te sluiten van alle activiteiten op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de interne veiligheid werd aangetast. Klager negeerde verschillende orders en tastte de fysieke integriteit van een personeelslid aan. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van alle activiteiten in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De uitsluiting van deelname aan alle activiteiten werd ook nog eens opgelegd op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet). Bij die rechtsgrond werd echter geen expliciete motivering meer opgenomen maar werd enkel vermeldt “Zie RAD”. De klachtencommissie acht dit niet problematisch, nu deze voorlopige maatregel zowel onder het eerste lid van artikel 145, §1 Basiswet als onder het tweede lid kan worden opgelegd. Zoals in de voorgaande paragraaf aangehaald, werd de voorlopige maatregel van uitsluiting van deelname aan alle activiteiten al afdoende verantwoord onder de rechtsgrond van artikel 145, §1, eerste lid Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing van 23 maart 2026 waarbij hij een tuchtsanctie van 10 dagen ATV kreeg voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden. Klager kreeg 10 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam van 30 oktober 2025. Klager dient zijn klacht pas op 26 maart 2026 en dus laattijdig in, zonder daarbij enige reden voor deze laattijdigheid te vermelden. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in tegen een voorlopige maatregel van 25 februari 2026. De directeur besliste om klager verplicht te laten verblijven in de hem toegewezen verblijfsruimte en uit te sluiten van alle activiteiten op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de interne veiligheid werd aangetast. Klager negeerde verschillende orders en tastte de fysieke integriteit van een personeelslid aan. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van alle activiteiten in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De uitsluiting van deelname aan alle activiteiten werd ook nog eens opgelegd op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet). Bij die rechtsgrond werd echter geen expliciete motivering meer opgenomen maar werd enkel vermeldt “Zie RAD”. De klachtencommissie acht dit niet problematisch, nu deze voorlopige maatregel zowel onder het eerste lid van artikel 145, §1 Basiswet als onder het tweede lid kan worden opgelegd. Zoals in de voorgaande paragraaf aangehaald, werd de voorlopige maatregel van uitsluiting van deelname aan alle activiteiten al afdoende verantwoord onder de rechtsgrond van artikel 145, §1, eerste lid Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing van 23 maart 2026 waarbij hij een tuchtsanctie van 10 dagen ATV kreeg voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificaties correct zijn en afdoende gemotiveerd werden. Klager kreeg 10 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.