Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0066

Non fondée Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VM - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - TEGEMOETKOMING

- Over de VM:
De directeur kan een voorlopige maatregel nemen in afwachting van de tuchtprocedure. De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van 14/02/2026 door het ‘hoofd penitentiair assistent’ in afwezigheid van de directeur op 14/02/2026 werd ondertekend en niet door de directeur zelf. In de Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p. 14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen. Door in een dergelijke delegatie te voorzien, gaat de Collectieve Brief nr. 124 verder dan hetgeen op heden in de Basiswet wordt bepaald. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen. Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde , blijkt uit de stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet.

Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de voorlopige maatregel van 14/02/2026. De klachtencommissie kent in overeenstemming met haar eerdere rechtspraak aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 30 belminuten tegen het nationaal tarief voor gesprekken naar een vast toestel.

- Over de tuchtbeslissing:
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager zelf toe dat het potje waarin de verboden substantie gevonden werd, van hem is. De stelling van klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij het potje zou hebben uitgeleend op de wandeling en iemand anders erboven een joint zou hebben gerold, doet geen afbreuk aan het bewezen zijn van de tuchtrechtelijke inbreuk ‘het bezit van verboden substanties’. Klager is verantwoordelijk voor zijn goederen en was in het bezit van het potje, wat hij zelf ook niet ontkent. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager in zijn klacht dat het even goed gedroogde peterselie of basilicum kon zijn van op tafel. Bovendien heeft klager dit ook nergens ter zitting aangehaald, maar pas voor het eerst op zijn klacht opgeworpen. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat het feit dat de beambten eerst het potje hebben meegenomen, en pas tien minuten later zouden hebben gezegd dat er een groene substantie in zat, de normale gang van zaken kan zijn aangezien bepaalde voorwerpen eerst grondiger gecontroleerd dienen te worden en dit niet steeds tijdens de celcontrole op de cel zelf gebeurt. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de insinuatie van klager dat beambten zelf nadien de verboden substantie in het potje zouden hebben gelegd. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager in verband met drugs. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.