KC16/26-0030
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
BEZOEK - MOTIVERING
Uit de dossierstukken blijkt dat de directie beslist heeft om de aanvraag van klager om ongestoord bezoek te hebben met zijn partner, niet goed te keuren. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directie vreest voor recidive waardoor de nieuwe partner slachtoffer zou worden van intrafamiliaal geweld tijdens een ongestoord bezoek. Gelet op het strafrechtelijk verleden van klager zoals aangehaald in de motivering van de beslissing alsook in het verslag van de PSD, meent de klachtencommissie dat de directie terecht voorzichtig is bij de beoordeling van de aanvraag van klager. Het inrichtingshoofd en het onder zijn leiding en gezag staand personeel dragen immers de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de orde en de veiligheid.
De klachtencommissie is echter van oordeel dat de elementen die worden vermeld in de motivering van de beslissing waaruit zou blijken dat het ongestoord bezoek tussen klager en zijn partner een risico is voor de integriteit van zijn partner onvoldoende actueel zijn. De advocaat van klager haalde in haar brief aan dat er geen overige vermeldingen van agressie-incidenten zijn op naam van klager. De directie verwijst daarentegen in haar verweer naar het tuchtregister van klager en voegde dit ook bij. Op het tuchtregister van klager staan zes tuchtbeslissingen vermeld waarvan drie wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen. De klachtencommissie stelt evenwel vast dat de laatste tuchtbeslissing uit het tuchtregister dateert van 20.08.2025. Sindsdien heeft klager dus geen tuchtinbreuken meer gepleegd. De klachtencommissie stelt daarenboven vast dat het attest van deelname aan het groepsprogramma “Samenleven binnen de muren, de kracht van omgaan met kwaadheid” dateert van 16.10.2025 en dat klager dit programma heeft gevolgd van 22.09.2025 tot en met 16.10.2025. Klager heeft tijdens de zitting van de klachtencommissie zelf verklaard dat het programma hem heeft geholpen en dat blijkt zich dus ook vertaald te hebben in zijn gedrag binnen de gevangenis. De klachtencommissie merkt op dat zowel de feiten van het intrafamiliaal geweld (gepleegd in 2021) als het PSD-verslag (opgemaakt in 2024) gedateerd zijn. Hierdoor lijkt er geen rekening gehouden te zijn met de invloed van nieuwe, positieve elementen op de beoordeling van het recidiverisico zoals de deelname aan het groepsprogramma, het uitblijven van tuchtinbreuken sinds een jaar en de ogenschijnlijk stabiele relatie tussen klager en zijn partner die, zo blijkt uit de bezoekgeschiedenis, op bezoek komt sinds 19.11.2023. Sinds 29.03.2024 hebben zij familiaal bezoek. Tijdens het familiaal bezoek zijn klager en zijn partner inderdaad niet alleen. De tienjarige dochter is hierbij aanwezig. De klachtencommissie stelt vast dat klager de feiten in 2021 gepleegd heeft in het bijzijn van de drie kinderen. De klachtencommissie meent dan ook dat de aanwezigheid van de dochter tijdens het familiaal bezoek niet kan voorgesteld worden als de enige beschermende factor die klager ervan weerhoudt om zich agressief op te stellen naar zijn partner. De klachtencommissie is van oordeel dat het feit dat klager al drie jaar een relatie onderhoudt vanuit de gevangenis, het tafelbezoek al drie jaar probleemloos verloopt en er gedurende twee jaar familiaal bezoek geen incidenten zijn geweest, indicaties zijn die een gunstige invloed hebben op het recidiverisico. De klachtencommissie besluit daarom dat er in de bestreden beslissing onvoldoende actuele individuele aanwijzingen zijn vermeld waaruit moet blijken dat het ongestoord bezoek tussen klager en zijn partner een gevaar voor de orde of veiligheid zou betekenen. De klacht is daarom gegrond. De klachtencommissie vernietigt de weigeringsbeslissing. De klachtencommissie draagt de directie, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om binnen één maand na de kennisgeving van de beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uit de dossierstukken blijkt dat de directie beslist heeft om de aanvraag van klager om ongestoord bezoek te hebben met zijn partner, niet goed te keuren. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directie vreest voor recidive waardoor de nieuwe partner slachtoffer zou worden van intrafamiliaal geweld tijdens een ongestoord bezoek. Gelet op het strafrechtelijk verleden van klager zoals aangehaald in de motivering van de beslissing alsook in het verslag van de PSD, meent de klachtencommissie dat de directie terecht voorzichtig is bij de beoordeling van de aanvraag van klager. Het inrichtingshoofd en het onder zijn leiding en gezag staand personeel dragen immers de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de orde en de veiligheid.
De klachtencommissie is echter van oordeel dat de elementen die worden vermeld in de motivering van de beslissing waaruit zou blijken dat het ongestoord bezoek tussen klager en zijn partner een risico is voor de integriteit van zijn partner onvoldoende actueel zijn. De advocaat van klager haalde in haar brief aan dat er geen overige vermeldingen van agressie-incidenten zijn op naam van klager. De directie verwijst daarentegen in haar verweer naar het tuchtregister van klager en voegde dit ook bij. Op het tuchtregister van klager staan zes tuchtbeslissingen vermeld waarvan drie wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen. De klachtencommissie stelt evenwel vast dat de laatste tuchtbeslissing uit het tuchtregister dateert van 20.08.2025. Sindsdien heeft klager dus geen tuchtinbreuken meer gepleegd. De klachtencommissie stelt daarenboven vast dat het attest van deelname aan het groepsprogramma “Samenleven binnen de muren, de kracht van omgaan met kwaadheid” dateert van 16.10.2025 en dat klager dit programma heeft gevolgd van 22.09.2025 tot en met 16.10.2025. Klager heeft tijdens de zitting van de klachtencommissie zelf verklaard dat het programma hem heeft geholpen en dat blijkt zich dus ook vertaald te hebben in zijn gedrag binnen de gevangenis. De klachtencommissie merkt op dat zowel de feiten van het intrafamiliaal geweld (gepleegd in 2021) als het PSD-verslag (opgemaakt in 2024) gedateerd zijn. Hierdoor lijkt er geen rekening gehouden te zijn met de invloed van nieuwe, positieve elementen op de beoordeling van het recidiverisico zoals de deelname aan het groepsprogramma, het uitblijven van tuchtinbreuken sinds een jaar en de ogenschijnlijk stabiele relatie tussen klager en zijn partner die, zo blijkt uit de bezoekgeschiedenis, op bezoek komt sinds 19.11.2023. Sinds 29.03.2024 hebben zij familiaal bezoek. Tijdens het familiaal bezoek zijn klager en zijn partner inderdaad niet alleen. De tienjarige dochter is hierbij aanwezig. De klachtencommissie stelt vast dat klager de feiten in 2021 gepleegd heeft in het bijzijn van de drie kinderen. De klachtencommissie meent dan ook dat de aanwezigheid van de dochter tijdens het familiaal bezoek niet kan voorgesteld worden als de enige beschermende factor die klager ervan weerhoudt om zich agressief op te stellen naar zijn partner. De klachtencommissie is van oordeel dat het feit dat klager al drie jaar een relatie onderhoudt vanuit de gevangenis, het tafelbezoek al drie jaar probleemloos verloopt en er gedurende twee jaar familiaal bezoek geen incidenten zijn geweest, indicaties zijn die een gunstige invloed hebben op het recidiverisico. De klachtencommissie besluit daarom dat er in de bestreden beslissing onvoldoende actuele individuele aanwijzingen zijn vermeld waaruit moet blijken dat het ongestoord bezoek tussen klager en zijn partner een gevaar voor de orde of veiligheid zou betekenen. De klacht is daarom gegrond. De klachtencommissie vernietigt de weigeringsbeslissing. De klachtencommissie draagt de directie, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om binnen één maand na de kennisgeving van de beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.