Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0010

Non fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE - VERBODEN SUBSTANTIES

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij de drugs niet zelf binnengesmokkeld heeft, maar dat hij door een groep mensen onder druk wordt gezet om de drugs in de inrichting bij zich te houden. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). Klager stelt in zijn klacht dat hij wordt beschuldigd van handel. Hoewel de directie in haar verweer stelt dat het om een ‘handelshoeveelheid’ ging (wat ook zo is), leest de klachtencommissie in de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie klager sanctioneert voor het bezit (hetgeen hij ter tuchtzitting ook erkende). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd.

Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg de maximumsanctie van 30 dagen ATV. De klachtencommissie meent dat deze sanctie wettelijk en gelet op de aanzienlijke hoeveelheid die in klager zijn bezit werd aangetroffen, redelijk. De klacht is ongegrond.