KC16/25-0375
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s. Ter tuchtzitting erkent klager geprotesteerd te hebben, maar benadrukt hij dat dit op een rustige manier gebeurde en er niets afgebroken werd. Klager stelt dat hij de rekker van een medegedetineerde kreeg die deze op onrechtmatige wijze verkregen had. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten inzake het protest als het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen (artikel 129, 6° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Ondanks dat het protest volgens klager rustig verliep, meent de klachtencommissie dat het weigeren om van de wandeling binnen te komen steeds een ernstig gevaar vormt voor de orde.
De directie kwalificeerde de feiten inzake de rekker als de wederrechtelijke ontvreemding van goederen (artikel 129, 4° Basiswet). De klachtencommissie acht ook deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Hoewel klager de rekker zelf naar eigen zeggen van een medegedetineerde kreeg, was hij blijkens zijn verklaringen ter tuchtzitting op de hoogte van het gegeven dat deze door de medegedetineerde ontvreemd was uit de cardio. Klager wist dan ook dat de rekker (ook na het wegnemen ervan door de medegedetineerde) aan de gevangenis toebehoorde, waardoor ook het bezit dat hij er van nam volgens de klachtencommissie als de wederrechtelijke ontvreemding van artikel 129, 4° Basiswet kon gekwalificeerd worden.
Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 12 dagen ATV (waarvan 5 met uitstel). De klachtencommissie meent dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s. Ter tuchtzitting erkent klager geprotesteerd te hebben, maar benadrukt hij dat dit op een rustige manier gebeurde en er niets afgebroken werd. Klager stelt dat hij de rekker van een medegedetineerde kreeg die deze op onrechtmatige wijze verkregen had. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten inzake het protest als het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen (artikel 129, 6° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Ondanks dat het protest volgens klager rustig verliep, meent de klachtencommissie dat het weigeren om van de wandeling binnen te komen steeds een ernstig gevaar vormt voor de orde.
De directie kwalificeerde de feiten inzake de rekker als de wederrechtelijke ontvreemding van goederen (artikel 129, 4° Basiswet). De klachtencommissie acht ook deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Hoewel klager de rekker zelf naar eigen zeggen van een medegedetineerde kreeg, was hij blijkens zijn verklaringen ter tuchtzitting op de hoogte van het gegeven dat deze door de medegedetineerde ontvreemd was uit de cardio. Klager wist dan ook dat de rekker (ook na het wegnemen ervan door de medegedetineerde) aan de gevangenis toebehoorde, waardoor ook het bezit dat hij er van nam volgens de klachtencommissie als de wederrechtelijke ontvreemding van artikel 129, 4° Basiswet kon gekwalificeerd worden.
Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 12 dagen ATV (waarvan 5 met uitstel). De klachtencommissie meent dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.