KC16/25-0295
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” en “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat de feiten die ten grondslag lagen aan de observatienota plaatsvonden op 18/09/2025. De observatienota zelf werd echter pas opgesteld op 23/09/2025. Uit deze observatienota blijkt nergens op welke datum de directie hier kennis van nam, maar enkel dat de nota moest worden toegevoegd aan de tuchtprocedure van 26/09/2025. Noch uit de dossierstukken, noch uit het verweer van de directie blijkt waarom de observatienota pas vijf dagen na de feiten werd opgesteld. Bovendien werd deze observatienota pas opgesteld nadat het RAD van 22/09/2025 over de feiten van diezelfde dag werd opgesteld.
Wat betreft het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, stelt de klachtencommissie vast dat deze tuchtrechtelijke inbreuk zijn oorsprong vindt in de feiten die plaatsvonden op 18/09/2025 en waarover een observatienota op 23/09/2025 werd opgemaakt. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat op 19/09/2025 voor dezelfde tenlastelegging een tuchtrechtelijke hoorzitting plaats vond en tuchtbeslissing werd genomen. Deze tuchtbeslissing wordt wel vermeld in het verweer, maar niet medegedeeld. Het is niet duidelijk waarom de feiten van 18/09/2025, zoals beschreven in de observatienota, niet werden gevoegd aan de eerdere tuchtprocedure. De klachtencommissie meent dat het alleszins essentieel is dat de gedetineerde voorafgaandelijk aan de zitting van 26/09/2025 kennis kreeg van de volledige tenlastelegging. In casu blijkt dit niet het geval te zijn geweest. De klachtencommissie is, gelet op de bovenstaande overwegingen, van oordeel dat de tuchtbeslissing wat betreft de tuchtinbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” vernietigd moet worden wegens de schending van de rechten van verdediging.
De klacht is ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 26/09/2025 in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”. De klachtencommissie zegt dat de gevolgen van de gedeeltelijk vernietigde beslissing in overeenstemming worden gebracht met de uitspraak, in het bijzonder door middel van een aanpassing in het tuchtregister.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” en “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat de feiten die ten grondslag lagen aan de observatienota plaatsvonden op 18/09/2025. De observatienota zelf werd echter pas opgesteld op 23/09/2025. Uit deze observatienota blijkt nergens op welke datum de directie hier kennis van nam, maar enkel dat de nota moest worden toegevoegd aan de tuchtprocedure van 26/09/2025. Noch uit de dossierstukken, noch uit het verweer van de directie blijkt waarom de observatienota pas vijf dagen na de feiten werd opgesteld. Bovendien werd deze observatienota pas opgesteld nadat het RAD van 22/09/2025 over de feiten van diezelfde dag werd opgesteld.
Wat betreft het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel, stelt de klachtencommissie vast dat deze tuchtrechtelijke inbreuk zijn oorsprong vindt in de feiten die plaatsvonden op 18/09/2025 en waarover een observatienota op 23/09/2025 werd opgemaakt. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat op 19/09/2025 voor dezelfde tenlastelegging een tuchtrechtelijke hoorzitting plaats vond en tuchtbeslissing werd genomen. Deze tuchtbeslissing wordt wel vermeld in het verweer, maar niet medegedeeld. Het is niet duidelijk waarom de feiten van 18/09/2025, zoals beschreven in de observatienota, niet werden gevoegd aan de eerdere tuchtprocedure. De klachtencommissie meent dat het alleszins essentieel is dat de gedetineerde voorafgaandelijk aan de zitting van 26/09/2025 kennis kreeg van de volledige tenlastelegging. In casu blijkt dit niet het geval te zijn geweest. De klachtencommissie is, gelet op de bovenstaande overwegingen, van oordeel dat de tuchtbeslissing wat betreft de tuchtinbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” vernietigd moet worden wegens de schending van de rechten van verdediging.
De klacht is ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 26/09/2025 in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”. De klachtencommissie zegt dat de gevolgen van de gedeeltelijk vernietigde beslissing in overeenstemming worden gebracht met de uitspraak, in het bijzonder door middel van een aanpassing in het tuchtregister.