Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0294

Fondée Compensation KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - SANCTIE - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING

Klager dient klacht in over een tuchtbeslissing. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. Integendeel, klagers verklaringen stroken met hetgeen genoteerd werd in de RAD’s van 27 september 2025. In tegenstelling tot wat klager in zijn klacht en ter zitting van de klachtencommissie aanhaalt, meent de klachtencommissie niet dat de directie voor de inhoudelijke motivering van haar tuchtbeslissing naar de observatienota (die niet aan klager werd meegedeeld) verwezen heeft. De klachtencommissie meent dan ook niet dat er voor dit aspect een probleem rijst inzake de rechten van verdediging (recht op tegenspraak). De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd.

Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 10 dagen ATV. De directie haalt in de motivering van de tuchtbeslissing kort klager zijn gevoelige persoonlijkheid aan. Er wordt ook summier verwezen naar de feiten die aan het tuchtincident voorafgingen en die klager in zijn klacht, ter tuchtzitting én ter zitting van de klachtencommissie omstandig heeft omschreven. De directie benoemt deze feiten als ‘moeilijke situaties in het samenleven’. De directie tilt vervolgens echter vooral zwaar aan het gebruik van fysieke agressie, waarbij ze als verzwarende omstandigheid aanhaalt dat klager op een open regime verblijft.

De klachtencommissie acht het niet geheel ongeloofwaardig dat klager voorafgaandelijk aan het tuchtincident het voorwerp is geweest van uitdagingen vanwege medegedetineerden. De klachtencommissie benadrukt dat dit het gebruik van fysiek geweld geenszins rechtvaardigt. De klachtencommissie meent dan ook dat klager terecht gesanctioneerd werd. Evenwel hadden deze voorafgaandelijke uitdagingen, samen met het blanco tuchtregister van klager, een rol moeten spelen in de toemeting van de tuchtsanctie. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie onvoldoende rekening hield met deze elementen dewelke tot een gedeeltelijk voorwaardelijke sanctie hadden moeten leiden.

De klachtencommissie acht de effectieve sanctie van 10 dagen ATV onredelijk. Een sanctie van 3 dagen ATV effectief en 7 dagen ATV voorwaardelijk gedurende 3 maanden was redelijk geweest. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing gedeeltelijk voor wat betreft de opgelegde sanctie en bepaalt dat haar uitspraak (3 dagen ATV effectief en 7 dagen ATV voorwaardelijk gedurende 3 maanden) in de plaats treedt (artikel 158, §3, 3° Basiswet). Aangezien klager de tuchtsanctie volledig heeft ondergaan kunnen de gevolgen van de beslissing niet meer ongedaan gemaakt worden en zijn de voorwaarden voor het toekennen van een tegemoetkoming vervuld (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet). Klager wenst als tegemoetkoming één fles shampoo tegen haaruitval. Aangezien klager deze tegemoetkoming al heeft gevraagd in zijn klachtenformulier van 7 januari 2026, werd de directie in de gelegenheid gesteld om haar opmerkingen hierover te geven in het aanvullend verweer. De directie heeft geen opmerkingen geformuleerd. De klachtencommissie kent een tegemoetkoming toe van één fles shampoo tegen haaruitval.