Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0231

Fondée Irrecevable KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - TUCHT - TERMIJN

Met betrekking tot de fouillering op het lichaam. De CB nr. 141 bijlage 2 werd onzorgvuldig ingevuld. Er werd geen tijdstip van de mondelinge of schriftelijke beslissing tot fouillering op het lichaam genoteerd, enkel een datum en tijdstip van uitvoering en betekening ervan. De klachtencommissie vindt dit opmerkelijk, aangezien bijlage 2 van CB nr. 141 hier wel de plaats voor voorziet. De zin die normalerwijze luidt “Ik, ondergetekende, directeur, (…) heb op (datum, uur) bevolen over te gaan tot de fouillering op het lichaam van (gedetineerde)” werd in het voorliggend dossier ingekort tot “Ik heb daarom de opdracht gegeven tot een fouillering op het lichaam van (klager)”. De beslissing van de directeur tot fouillering op het lichaam dient voorafgaand aan de eigenlijke fouillering genomen te worden. Vermits door de directie geen uur van de beslissing werd ingevuld, kan de klachtencommissie in principe niet nagaan of de fouillering op het lichaam van klager daadwerkelijk pas na een beslissing van de directie werd uitgevoerd. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot fouillering niet voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet en aldus onwettig is. De klacht is gegrond.

Klager beklaagt zich volgens de aankruising over een tuchtbeslissing (zonder datum). Een klacht tegen een tuchtbeslissing valt in principe onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. De klacht moet echter worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen (artikel 150 §5 Basiswet). Gelet op deze bepaling kan de klachtencommissie de klacht niet beschouwen als zijnde correct ingediend tegen de tuchtbeslissing. Klager zou immers pas op 27 juli 2025 gehoord worden inzake het RAD van 24 juli 2025. Op het ogenblik van indiening van zijn klacht (24 juli 2025) werd er nog geen tuchtbeslissing genomen. Uiteindelijk zou er op 27 juli 2025 overigens een beslissing tot niet-opleggen van een tuchtsanctie genomen worden. Klager formuleerde zijn klacht dan ook eigenlijk al tegen het rapport aan de directeur, dewelke geen beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet uitmaakt. De klacht is niet-ontvankelijk.