Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0205

Non fondée Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire Mesure d'ordre Fouille à corps
CELCONTROLE - FOUILLE OP HET LICHAAM - TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - PUNTENSYSTEEM - MOTIVERING - ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - ARBEID

De klacht is gericht tegen de celcontrole en het onderzoek aan het lichaam van 19.08.2024, het verwijderen van goederen van klager uit zijn cel, de tuchtbeslissing van 23.08.2024 en de vijf punten
die ingevolge de tuchtbeslissing werden opgelegd en de ontslagbeslissing van 24.08.2024.


Wat betreft de fouillering op het lichaam:
Klager stelt dat de fouillering op het lichaam niet correct is gebeurd omdat hij nog steeds geen document heeft ontvangen waaruit blijkt dat de directie het bevel heeft gegeven om over te gaan tot
een fouille op het lichaam. De klachtencommissie stelt vast dat het tuchtdossier inderdaad geen beslissing tot het opleggen van een fouille op het lichaam bevat. De klachtencommissie meent dat
dit echter geen onregelmatigheid is omdat uit het RAD van 19.08.2024 blijkt dat klager voorafgaand aan zijn celcontrole, niet onderworpen werd aan een naaktfouille maar aan een kledijfouille. In het
RAD staat immers: “bij controle van de verblijfsruimte van bovenvermelde gedetineerde voerde ik aan het begin een fouille van de kledij uit.”

Dit onderzoek wordt op volgende wijze uitgevoerd: de gedetineerde blijft aangekleed en wordt verzocht om alle voorwerpen die hij op zich draagt te overhandigen (incl. eventueel hoofddeksel).
De beambte controleert deze voorwerpen. De gedetineerde wordt uitgenodigd zich zijdelings naast de beambte te plaatsen, armen en benen te spreiden en de handpalmen te tonen. De beambte
fouilleert de gedetineerde door de nek, de kraag, armen, schouders, borst, rug en benen te betasten. In functie van de instructies van de directeur wordt de gedetineerde uitgenodigd de jas, de
broeksriem, schoenen en kousen uit te doen en zijn voetzolen te tonen; zijn jas, riem, schoenen en kousen worden onderzocht. Uit zijn klachten blijkt niet dat de kledijfouille niet op deze manier werd
uitgevoerd. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht kennelijk ongegrond is.


Wat betreft de celcontrole:
Uit het RAD blijkt dat klager op 19.08.2024 verbleef op vleugel D. Klager beweert dat hij van de kwartierchef had vernomen dat de celcontrole op basis van het fouilleplan die dag al was gebeurd zodat de directie eigenlijk een gemotiveerde beslissing had moeten nemen vooraleer zijn cel kon worden gecontroleerd. Op 14.10.2024 heeft de klachtencommissie de vraag gesteld aan het klachtenbureau hoeveel celcontroles er op 19.08.2024 werden uitgevoerd op vleugel D. Het hoofd penitentiair assistent antwoordde op 16.10.2024 dat er één celcontrole werd uitgevoerd die dag, op cel 314. Uit het RAD blijkt dat dat de cel was van klager. De klachtencommissie besluit hieruit dat de celcontrole bij klager, werd uitgevoerd in het kader van het fouilleplan. De klachtencommissie is van oordeel dat celcontroles op basis van het fouilleplan gerechtvaardigd zijn teneinde de orde en de veiligheid in de gevangenis te bewaren.

De controlemaatregel mag niet ongerechtvaardigd zijn ten opzichte van het doel ervan. Het onderzoek van de verblijfsruimte dient te gebeuren met eerbiediging van de waardigheid en de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde. Na de beëindiging van het onderzoek wordt alles in de oorspronkelijke staat terug gesteld. Klager heeft in zijn klachten niet vermeld dat deze bepalingen niet werden nageleefd. Collectieve Brief nr. 141 bepaalt tenslotte dat het wordt aanbevolen dat het onderzoek van de verblijfsruimte wordt uitgevoerd in aanwezigheid van minimum één ander lid van het
bewakingspersoneel. In tegenstelling tot wat klager beweert, is het dus geen verplichting dat de celcontrole wordt uitgevoerd door twee beambten. Bovendien werd op het RAD de naam van een
tweede beambte genoteerd als getuige, hetgeen de klachtencommissie doet besluiten dat er wel een tweede personeelslid aanwezig was tijdens de celcontrole.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht ook kennelijk ongegrond is.


Wat betreft de in bewaring genomen goederen van klager:
Volgens het RAD vond de beambte tijdens de celcontrole een ventilator en een nachtlamp die niet stonden ingeschreven op de inventariskaart van klager. Deze goederen werden daarom verwijderd
uit de cel van klager. Gelet op de discrepantie, zoals vastgesteld door de beambte, tussen de inhoud van de inventariskaart van klager en de aanwezigheid van de spullen op cel bij klager, meent de klachtencommissie dat de beambte heeft gehandeld conform de hierboven geschetste regelgeving. Klager geeft in zijn klacht immers zelf toe dat hij de spullen heeft gekregen van een andere
gedetineerde, hij vraagt zelfs aan de klachtencommissie om de spullen alsnog in te schrijven op zijn inventariskaart en tenslotte blijkt uit zijn klacht ook niet dat hij de directeur om toelating had gevraagd. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht ook kennelijk ongegrond is.


Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager werd vervolgens op 23.08.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. Uit het RAD van 19.08.2024 blijkt dat een gsm werd gevonden tijdens het onderzoek aan de kledij van klager. Klager betwist deze tuchtinbreuk ook niet in zijn klachten. Hij zou de gsm al hebben sinds
oktober 2023. Volgens hem is het bewijs echter onregelmatig verzameld. Zoals hierboven geoordeeld, meent de klachtencommissie dat zowel de celcontrole als het onderzoek aan de kledij regelmatig werden uitgevoerd. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat deze klacht ook kennelijk ongegrond is.


Wat betreft de punten:
Ingevolge de tuchtbeslissing van 23.08.2024, kreeg klager vijf punten toegekend. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.


Wat betreft de ontslagbeslissing:
Tenslotte blijkt uit de dossierstukken dat klager op 24.08.2024 werd ontslagen. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat klager tot 07.09.2024 onder ATV stond. Toch besliste de directeur al op 24.08.2024 om klager te ontslaan uit zijn functie als reservediender. Nochtans bevatten noch het tuchtdossier, noch de ordemaatregel meldingen dat klager in het verleden al waarschuwingen kreeg over de uitoefening van zijn job. Gelet op de aangehaalde rechtspraak van de beroepscommissie, besluit de klachtencommissie dat de ordemaatregel werd opgelegd in strijd met de dienstnota van DG EPI van 18.06.20215. De ontslagbeslissing is bijgevolg onwettig. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.