Ga verder naar de inhoud

BC/24-0439

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
PUNTEN- MOTIVERING - ONTSLAG - HOORPLICHT

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de klachtencommissie van Leuven-Centraal van 8 december 2024 met als referentie KC16/24-0205, wat betreft haar beoordeling omtrent de toekenning van punten en wat betreft de ontslagbeslissing.

- Over de punten

Het inrichtingshoofd is in hoofdorde van oordeel dat deze klacht onontvankelijk had moeten worden verklaard, wegens gebrek aan individuele beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 van de basiswet. De klachtencommissie is volgens het inrichtingshoofd in essentie ten onrechte van oordeel dat het zij de daaromtrent evoluerende rechtspraak van de beroepscommissie verkeerd interpreteert.De beroepscommissie wijst er thans op dat het rechtspunt omtrent de ontvankelijkheid van dergelijke klachten intussen werd beslecht door de Raad van State in het arrest nr. 265.203 van 16 december 2025, zodat de klachtencommissie de klacht terecht ontvankelijk verklaarde.
Ondergeschikt is het inrichtingshoofd van oordeel dat de klacht ongegrond had moeten worden verklaard, daar wel zou zijn voldaan aan de motiveringsplicht, doordat de redenen van de toekenning van de punten integraal zijn uitgewerkt in het huishoudelijk reglement.De motivering dient evenwel een deugdelijke feitelijk grondslag te bevatten en inzichtelijk maken hoe de feiten in hoofde van de betrokken gedetineerde geleid hebben tot de aldus dwingend voorgeschreven beslissing.
Deze elementen ontbreken echter op het gehanteerde standaardformulier, dat zich veeleer voordoet als een mededeling. Bij gebreke daarvan kan de beroepscommissie niet nagaan of de ‘bindende’ criteria (in casu het HHR) correct zijn toegepast op het concrete geval. De klachtencommissie verklaarde de klacht omtrent ‘de punten’ aldus terecht gegrond.

- Over het ontslag

Hoewel de directie er zich inderdaad moet van vergewissen dat een ontslag, dat gelijktijdig met een tuchtsanctie wordt opgelegd, zich niet voordoet als een bijkomende (verdoken) tuchtmaatregel, stelt de beroepscommissie vast dat daar thans aan werd tegemoetgekomen door niet zonder meer te wijzen op het feit dat klager ‘een’ tuchtsanctie heeft opgelopen.
Niet elke tuchtinbreuk geeft immers ipso facto aanleiding tot onmiddellijke ongeschiktheid voor de betrokken arbeidspost.
Zo werd in thans voorliggende ontslagbeslissing het bijzonder gemotiveerd waarom deze specifieke tuchtinbreuk (het bezit van een smartphone) onverenigbaar is met deze specifieke vertrouwensfunctie (“dit betreft een vertrouwensfunctie met veel bewegingsvrijheid”).
In navolging van het inrichtingshoofd is de beroepscommissie van oordeel dat het niet onredelijk is dat het bezit van een smartphone op zich aanleiding geeft tot een onmiddellijke vertrouwensbreuk, wanneer de vertrouwensfunctie gepaard gaat met veel bewegingsvrijheid in de gevangenis.
Het argument van klager, met name dat ‘alle gedetineerden in een opendeurregime over veel bewegingsvrijheid’ beschikken, kan niet overtuigen. Het inrichtingshoofd wijst er terecht op dat dienders wel nog meer bewegingsvrijheid hebben, omdat zij op plaatsen komen die voor hen zijn voorbehouden.Hoewel de directeur tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting niet uitdrukkelijk waarschuwde dat er ook een afzetting van werk zou volgen, kan niet ernstig worden beweerd dat klager in de gegeven omstandigheden geen kennis kon hebben van de dreiging van een nadelige beslissing, met name een ontslagbeslissing.

De beroepscommissie is van oordeel dat het uitdrukkelijk horen over een nakend ontslag in casu de te nemen ontslagbeslissing niet meer had kunnen beïnvloeden.
Het feit dat klager in zijn klacht bij wijze van tegenspraak aanvoerde dat hij ‘de gsm al had sinds oktober 2023’, had de feiten die aanleiding gaven tot het ontslag overigens geenszins in een ander daglicht kunnen stellen. Deze stelling kan evenmin worden aangevoerd om te beweren dat het ontslag vervolgens ‘onverwacht’ kwam, omdat de smartphone aldus pas dan werd ontdekt.
De beroepscommissie kan de klachtencommissie dan ook niet bijtreden waar zij suggereert dat er eerdere waarschuwingen moeten zijn geweest omtrent de uitoefening van zijn vertrouwensfunctie.
De beroepscommissie besluit dat de ordemaatregel, die schriftelijk gemotiveerd werd, wel op een redelijke en zorgvuldige wijze genomen werd.
Deze afweging is ook passend rekening houdend met het algemene belang voor andere gedetineerden die al lange tijd aan het wachten zijn op werk en die niet recent gelijkaardige tuchtinbreuken begingen die onverenigbaar zijn met de bewegingsvrijheid en het vertrouwen die gepaard gaan met een vertrouwensfunctie.
Het beroep inzake het ontslag is dan ook gegrond en de beslissing van de klachtencommissie dient op dit punt vernietigd te worden.