KC16/24-0087
Non fondée
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - VERBODEN SUBSTANTIES - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - PUNTENSYSTEEM - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - MOTIVERING
De klacht is gericht tegen de naaktfouille van 18.03.2024, de voorlopige maatregel van 18.03.2024, de tuchtbeslissing van 19.03.2024 en de vijf punten opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
Wat betreft de naaktfouille van 18.03.2024:
Op 18.03.2024 heeft een beambte een RAD opgemaakt over feiten die zich in de namiddag van 18.03.2024 hadden afgespeeld in cel 456 (de cel waarvan klager in zijn klacht schreef dat hij daar vlees en ajuin ging zoeken) op vleugel E. Volgens het RAD hadden de opsteller en twee collega’s een sterke cannabisgeur waargenomen toen ze langs deze cel liepen. Op vraag van de opsteller kwam de chef van de sectie ook langs en bevestigde de geur. Hierna kwam een gedetineerde uit de cel en toen hij zag dat er beambten aan de cel stonden, wou hij terug naar binnen hetgeen hem werd verhinderd door een beambte. De gedetineerde probeerde deze beambte aan de kant te duwen en waarschuwde de andere gedetineerden die nog aanwezig waren in de cel door te zeggen “cheffen aan de deur”. Hierop begonnen volgens het RAD alle aanwezige gedetineerden zenuwachtig te doen, werd er opgeruimd, werden er dingen uit het raam gesmeten en iets in het toilet gegooid. Nog een andere gedetineerde probeerde het personeel buiten te houden en duwde een beambte uit de cel. Er werd alarm gegeven en alle aanwezige gedetineerden in de cel werden
naar de naakte cel begeleid.
De klachtencommissie meent dat deze motivering de individuele aanwijzingen bevat waarom de directie het vermoeden had dat klager in het bezit was van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk waren, namelijk cannabis naar aanleiding van de geur ervan waargenomen aan de cel waarin klager zich bevond.
Bovendien is in de beslissing ook aangetoond waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan. Klager had immers de kans gehad om de cannabis te verstoppen op plaatsen die niet gecontroleerd kunnen worden tijdens een onderzoek aan de kledij. De klachtencommissie stelt vast dat deze motivering ook steun vindt in de vaststellingen die werden genoteerd in het RAD. Bovendien heeft klager in zijn klacht bevestigd dat hij op dat moment aanwezig was in de bewuste cel.
De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot het opleggen van een naaktfouille in die omstandigheden wettig was en niet onredelijk of onbillijk. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 18.03.2024:
Na de naaktfouille werd klager in opdracht van een directielid, - de klachtencommissie merkt op dat dit een ander directielid was dan degene die tien minuten daarvoor de naaktfouille had bevolen -, op voorlopige maatregel geplaatst. In gevolge de beslissing van de directie moest klager vanaf 15u30 en in afwachting van een tuchtprocedure, verblijven in zijn cel (klager verbleef op dat moment in het opendeurregime) en was hij uitgesloten van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten.
De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de beslissing verwijst naar het gebruik van drugs door gedetineerden in een cel waar klager aanwezig was. Noch deze motivering, noch de vaststellingen in het RAD stellen echter dat klager drugs heeft gebruikt. Zelfs indien zou vastgesteld zijn dat klager drugs had gebruikt, was er nog geen sprake van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid door klager. In het tuchtdossier wordt immers geen melding gemaakt dat klager een personeelslid had geduwd, noch dat hij op een andere manier agressief was. Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid (3). De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager
bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, bijvoorbeeld omdat bleek dat klager onder invloed was of hij personen afperste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte.
De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Deze klacht is kennelijk gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 19.03.2024:
De directeur nam op 18.03.2024 kennis van het bovenstaande RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager werd op 18.03.2024 uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 19.03.2024. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie. Klager heeft hiervoor vijftien dagen ATV gekregen.
De klachtencommissie stelt echter vast dat er nergens in het tuchtdossier ook maar wordt vermeld dat klager ook drugs heeft gebruikt. De naaktfouille was ook negatief. Het feit dat klager aanwezig was in een cel waar er een joint werd gerookt, is nog geen bewijs dat klager zich ook schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van drugs. Opdat sprake kan zijn van medeplichtigheid is immers een daad van medeplichtigheid vereist. Dit kan enkel het geval zijn wanneer klager de dader zou hebben geholpen in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. In het RAD staat niet beschreven dat klager dingen heeft weggegooid, noch blijkt dit uit verklaringen van medegedetineerden. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Deze klacht is kennelijk gegrond.
Wat betreft de toekenning van vijf punten:
Op het puntenbriefje dat klager ontving, staat: “De directie meldt u dat, ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie 19.03.2024, 5 punten werden bijgeteld aan uw saldo met betrekking tot het basisregime. Uw saldo bedraagt momenteel 10 punten. Bij een score van 10 punten wordt automatisch tot een overplaatsing naar het basisregime besloten.“
De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing, het aantal punten en het puntensaldo naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men een bepaald aantal punten toekent en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, vijf punten kreeg toegekend. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet. Deze klacht is kennelijk gegrond.
De klacht is gericht tegen de naaktfouille van 18.03.2024, de voorlopige maatregel van 18.03.2024, de tuchtbeslissing van 19.03.2024 en de vijf punten opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven-Centraal.
Wat betreft de naaktfouille van 18.03.2024:
Op 18.03.2024 heeft een beambte een RAD opgemaakt over feiten die zich in de namiddag van 18.03.2024 hadden afgespeeld in cel 456 (de cel waarvan klager in zijn klacht schreef dat hij daar vlees en ajuin ging zoeken) op vleugel E. Volgens het RAD hadden de opsteller en twee collega’s een sterke cannabisgeur waargenomen toen ze langs deze cel liepen. Op vraag van de opsteller kwam de chef van de sectie ook langs en bevestigde de geur. Hierna kwam een gedetineerde uit de cel en toen hij zag dat er beambten aan de cel stonden, wou hij terug naar binnen hetgeen hem werd verhinderd door een beambte. De gedetineerde probeerde deze beambte aan de kant te duwen en waarschuwde de andere gedetineerden die nog aanwezig waren in de cel door te zeggen “cheffen aan de deur”. Hierop begonnen volgens het RAD alle aanwezige gedetineerden zenuwachtig te doen, werd er opgeruimd, werden er dingen uit het raam gesmeten en iets in het toilet gegooid. Nog een andere gedetineerde probeerde het personeel buiten te houden en duwde een beambte uit de cel. Er werd alarm gegeven en alle aanwezige gedetineerden in de cel werden
naar de naakte cel begeleid.
De klachtencommissie meent dat deze motivering de individuele aanwijzingen bevat waarom de directie het vermoeden had dat klager in het bezit was van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk waren, namelijk cannabis naar aanleiding van de geur ervan waargenomen aan de cel waarin klager zich bevond.
Bovendien is in de beslissing ook aangetoond waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan. Klager had immers de kans gehad om de cannabis te verstoppen op plaatsen die niet gecontroleerd kunnen worden tijdens een onderzoek aan de kledij. De klachtencommissie stelt vast dat deze motivering ook steun vindt in de vaststellingen die werden genoteerd in het RAD. Bovendien heeft klager in zijn klacht bevestigd dat hij op dat moment aanwezig was in de bewuste cel.
De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot het opleggen van een naaktfouille in die omstandigheden wettig was en niet onredelijk of onbillijk. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 18.03.2024:
Na de naaktfouille werd klager in opdracht van een directielid, - de klachtencommissie merkt op dat dit een ander directielid was dan degene die tien minuten daarvoor de naaktfouille had bevolen -, op voorlopige maatregel geplaatst. In gevolge de beslissing van de directie moest klager vanaf 15u30 en in afwachting van een tuchtprocedure, verblijven in zijn cel (klager verbleef op dat moment in het opendeurregime) en was hij uitgesloten van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten.
De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de beslissing verwijst naar het gebruik van drugs door gedetineerden in een cel waar klager aanwezig was. Noch deze motivering, noch de vaststellingen in het RAD stellen echter dat klager drugs heeft gebruikt. Zelfs indien zou vastgesteld zijn dat klager drugs had gebruikt, was er nog geen sprake van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid door klager. In het tuchtdossier wordt immers geen melding gemaakt dat klager een personeelslid had geduwd, noch dat hij op een andere manier agressief was. Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid (3). De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager
bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, bijvoorbeeld omdat bleek dat klager onder invloed was of hij personen afperste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte.
De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Deze klacht is kennelijk gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 19.03.2024:
De directeur nam op 18.03.2024 kennis van het bovenstaande RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager werd op 18.03.2024 uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 19.03.2024. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie. Klager heeft hiervoor vijftien dagen ATV gekregen.
De klachtencommissie stelt echter vast dat er nergens in het tuchtdossier ook maar wordt vermeld dat klager ook drugs heeft gebruikt. De naaktfouille was ook negatief. Het feit dat klager aanwezig was in een cel waar er een joint werd gerookt, is nog geen bewijs dat klager zich ook schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van drugs. Opdat sprake kan zijn van medeplichtigheid is immers een daad van medeplichtigheid vereist. Dit kan enkel het geval zijn wanneer klager de dader zou hebben geholpen in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. In het RAD staat niet beschreven dat klager dingen heeft weggegooid, noch blijkt dit uit verklaringen van medegedetineerden. De klachtencommissie besluit dat de directeur de tuchtinbreuk niet in redelijkheid en billijkheid kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie werd in strijd met het vermoeden van onschuld opgelegd. Deze klacht is kennelijk gegrond.
Wat betreft de toekenning van vijf punten:
Op het puntenbriefje dat klager ontving, staat: “De directie meldt u dat, ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie 19.03.2024, 5 punten werden bijgeteld aan uw saldo met betrekking tot het basisregime. Uw saldo bedraagt momenteel 10 punten. Bij een score van 10 punten wordt automatisch tot een overplaatsing naar het basisregime besloten.“
De klachtencommissie, hierin gesteund door de beroepscommissie, meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van deze beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel de datum van de tuchtbeslissing, het aantal punten en het puntensaldo naderhand worden ingevuld. Deze mededeling is zeer algemeen en vaag en bevat geenszins de redenen waarom men een bepaald aantal punten toekent en waarom het noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid dat klager, naast de tuchtsanctie, vijf punten kreeg toegekend. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben, te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de Basiswet. Deze klacht is kennelijk gegrond.