Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0045

Non fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - FOUILLE OP HET LICHAAM - CELCONTROLE - BEWIJS

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 12.02.2024.

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 12.02.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie, naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in de twee rapporten aan de directeur (RAD) van 09.02.2024.

Op 09.02.2024 werd een RAD opgemaakt omdat de opsteller, haar collega en de adjudant een sterke wietgeur aan de celdeur van klager hadden vastgesteld. Vervolgens werd overgegaan tot een celcontrole en een naaktfouille. Bij de celcontrole werd een peukje gevonden in de asbak met vermoedelijk een verboden substantie. De naaktfouille was negatief. In het tweede RAD staat dat klager na afloop van de celcontrole, had toegeven dat de vermoedelijk verboden substantie die
gevonden werd, van hem was. De directeur nam op 10.02.2024 kennis van beide rapporten en besloot om een tuchtprocedure op te starten. Klager werd op 12.02.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager niets te zeggen had. Zijn raadsman heeft het woord genomen.

In dit dossier werd een sterke wietgeur waargenomen aan de cel van klager. Deze geur werd door drie personen vastgesteld. Bovendien vond men tijdens de
celcontrole een peuk met daarin een vermoedelijk verboden substantie. Tenslotte is er een RAD opgemaakt over de bekentenis van klager. Klager heeft tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting deze bekentenis niet ingetrokken. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van negen dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig ATV. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat klager reeds een lopende sanctie had. Uit zijn tuchtregister blijkt dat klager een ATV-sanctie onderging van 21 dagen van 02.02.2024 tot en met 23.02.2024. De Basiswet9 en Collectieve Brief nr.124 van 6 september 2013 inzake het tuchtregime van gedetineerden voorzien in een bescherming teneinde te vermijden dat een gedetineerde te lang in afzondering verblijft. Opeenvolgende ATV-sancties mogen daarom in totaal de dertig dagen niet overschrijden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met deze grens. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de vele tuchtrechtelijke voorgaanden van klager. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond. De tuchtbeslissing van 12.02.2024 blijft bestaan.