KC16/24-0036
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIE - TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht is gericht tegen de naaktfouille van 08.02.2024 en de tuchtbeslissing van 12.02.2024, opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.
Wat betreft de naaktfouille van 08.02.2024:
De bestreden beslissing werd gemotiveerd als volgt: “Tijdens observatie van de sportwandeling stelde een personeelslid vast dat een gedetineerde een wit voorwerp uit zijn onderbroek haalde en doorgaf aan betrokkene. Een fouille op het lichaam werd bevoelen om na te gaan of betrokkene in het bezit is van een verboden substantie/voorwerpen in functie van de interne veiligheid van de inrichting.“ De fouille zou zijn uitgevoerd om 16u55. De beslissing werd de volgende dag aan klager
betekend. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie meent dat deze individuele aanwijzing ook blijktuit de observatienota. Dat uiteindelijk niets werd gevonden, doet niets af aan de rechtmatigheid van de beslissing. De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 12.02.2024:
Klager werd op 12.02.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager verklaarde sigaretten te hebben geruild met een medegedetineerde. De medegedetineerde kreeg van klager een filtersigaret en klager kreeg een gerolde sigaret. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van drie dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV zodat de opgelegde tuchtsanctie wettig was. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.
De klacht is gericht tegen de naaktfouille van 08.02.2024 en de tuchtbeslissing van 12.02.2024, opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.
Wat betreft de naaktfouille van 08.02.2024:
De bestreden beslissing werd gemotiveerd als volgt: “Tijdens observatie van de sportwandeling stelde een personeelslid vast dat een gedetineerde een wit voorwerp uit zijn onderbroek haalde en doorgaf aan betrokkene. Een fouille op het lichaam werd bevoelen om na te gaan of betrokkene in het bezit is van een verboden substantie/voorwerpen in functie van de interne veiligheid van de inrichting.“ De fouille zou zijn uitgevoerd om 16u55. De beslissing werd de volgende dag aan klager
betekend. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie meent dat deze individuele aanwijzing ook blijktuit de observatienota. Dat uiteindelijk niets werd gevonden, doet niets af aan de rechtmatigheid van de beslissing. De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing van 12.02.2024:
Klager werd op 12.02.2024, met bijstand van een advocaat, gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager verklaarde sigaretten te hebben geruild met een medegedetineerde. De medegedetineerde kreeg van klager een filtersigaret en klager kreeg een gerolde sigaret. Gelet op zijn bekentenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van drie dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV zodat de opgelegde tuchtsanctie wettig was. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.