Ga verder naar de inhoud

KC16/23-0126

Non fondée Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klacht betreft de naaktfouille van 25.07.2023, de voorlopige maatregel van 25.07.2023 en de tuchtbeslissing van 27.07.2023 opgelegd door de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.

Wat betreft de naaktfouille van 25.07.2023:
De klachtencommissie meent dat een cannabisgeur ter hoogte van de cel van klager én het zien roken van een sigaret door klager, individuele aanwijzingen waren om te vermoeden dat klager in het bezit was van verdovende middelen waarbij een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om deze te vinden. De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot het opleggen van een onderzoek aan het lichaam van 25.07.2023 voldeed aan de wettelijke voorwaarden bepaald in de Basiswet. De klacht is ongegrond.

Wat betreft de voorlopige maatregel van 25.07.2023:
De naaktfouille en de celcontrole bij klager leverden niets op. Desondanks werd toch een voorlopige maatregel opgelegd in de vorm van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten omdat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou zijn aangetast door de indringende drugsgeur die werd vastgesteld door drie personeelsleden, waaronder de adjudant, ter hoogte van de cel van klager. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de voorlopige maatregel niet verwijst naar aanwijzingen dat klager de interne veiligheid ernstig had aangetast.

De klachtencommissie stelt vast dat enkel de naam van een directielid (en niet de naam van het inrichtingshoofd zoals nochtans verklaard ter zitting en zoals vermeld op de beslissing tot naaktfouille) met daaronder io en de naam van de adjudant werden ingevuld op de beslissing. Op die manier lijkt het alsof de directeur de beslissingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan de adjudant, hetgeen niet wordt toegelaten door de Basiswet. Enkel de directie mag een voorlopige maatregel opleggen. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden bepaald in de Basiswet. De klacht is gegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing van 27.07.2023:
De directeur heeft het bezit van door de wet verboden substanties bewezen verklaard en klager gesanctioneerd voor deze inbreuk van eerste categorie met vijftien dagen ATV. Volgens de directie volstaan de vastgestelde geur en de visuele waarneming van klager die aan het roken was als bewijs. De klachtencommissie is echter van oordeel dat een gedetineerde enkel gesanctioneerd kan worden voor het bezit van verboden substanties indien de geurwaarneming voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd werd en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen. De klachtencommissie besluit dat de directie, gelet op het tuchtrechtelijk vermoeden van onschuld, niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen achten van het bezit van of de handel in de door de wet verboden substanties. De klacht is gegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/23-0281