KC16/23-0112
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - FOUILLE OP HET LICHAAM - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht betreft de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.
De klachtencommissie heeft kennis genomen van een observatienota die door een beambte werd opgemaakt. De klachtencommissie is van oordeel dat de nota op een nauwkeurige wijze beschrijft hoe de opsteller zag dat klager tijdens de wandeling enkele malen iets wegstak in zijn steunverband rond zijn enkel. De opsteller van de observatienota meldde dit aan de adjudant en aan de vleugel waar klager verbleef.
Volgens de motivering van de beslissingen tot het opleggen van een naaktfouille en een voorlopige maatregel, werd na de wandeling aan klager gevraagd om het steunverband uit te doen. Klager zou hierop een discussie zijn gestart, zou vervolgens iets uit zijn sok vanonder zijn brace hebben gehaald en dat hebben ingeslikt.
Er werd vervolgens nog een RAD opgemaakt over de vaststellingen gedaan tijdens de naaktfouille. In het rapport wordt gedetailleerd beschreven dat klager een wit bolvormig voorwerp uit zijn linker sok haalde en dit in zijn mond stak. Nadat hij het voorwerp had ingeslikt, startte klager een discussie waarbij hij bleef beweren dat hij niets had ingeslikt. Naast de opsteller van het RAD, waren er nog twee getuigen aanwezig bij de fouille.
De directeur nam kennis van alle vaststellingen en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager en zijn advocaat werden regelmatig opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bleef klager ontkennen dat hij iets had ingeslikt. Men viseert hem. Hij is al zes maanden gestopt met smoren. Klager vraagt zich bovendien af waarom men niet heeft verhinderd dat hij iets doorslikte.
De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen geloofwaardige of concrete tegenindicaties heeft aangebracht waarom de nauwkeurig en uitgebreide vaststellingen van vier personeelsleden niet zouden kloppen. Bovendien meent de klachtencommissie dat klager zich bijzonder verdacht gedroeg om volgens hem niets te moeten verbergen. De klachtencommissie besluit dat de directie de feiten in redelijkheid en billijkheid bewezen kon verklaren in hoofde van klager.
De directeur kwalificeerde de feiten correct als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (inbreuk van eerste categorie) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (inbreuk van tweede categorie). Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van vijftien dagen ATV wettig was. Bovendien is de
tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de tuchtrechtelijke voorgaanden van klager. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.
De klacht betreft de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.
De klachtencommissie heeft kennis genomen van een observatienota die door een beambte werd opgemaakt. De klachtencommissie is van oordeel dat de nota op een nauwkeurige wijze beschrijft hoe de opsteller zag dat klager tijdens de wandeling enkele malen iets wegstak in zijn steunverband rond zijn enkel. De opsteller van de observatienota meldde dit aan de adjudant en aan de vleugel waar klager verbleef.
Volgens de motivering van de beslissingen tot het opleggen van een naaktfouille en een voorlopige maatregel, werd na de wandeling aan klager gevraagd om het steunverband uit te doen. Klager zou hierop een discussie zijn gestart, zou vervolgens iets uit zijn sok vanonder zijn brace hebben gehaald en dat hebben ingeslikt.
Er werd vervolgens nog een RAD opgemaakt over de vaststellingen gedaan tijdens de naaktfouille. In het rapport wordt gedetailleerd beschreven dat klager een wit bolvormig voorwerp uit zijn linker sok haalde en dit in zijn mond stak. Nadat hij het voorwerp had ingeslikt, startte klager een discussie waarbij hij bleef beweren dat hij niets had ingeslikt. Naast de opsteller van het RAD, waren er nog twee getuigen aanwezig bij de fouille.
De directeur nam kennis van alle vaststellingen en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Klager en zijn advocaat werden regelmatig opgeroepen voor de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bleef klager ontkennen dat hij iets had ingeslikt. Men viseert hem. Hij is al zes maanden gestopt met smoren. Klager vraagt zich bovendien af waarom men niet heeft verhinderd dat hij iets doorslikte.
De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen geloofwaardige of concrete tegenindicaties heeft aangebracht waarom de nauwkeurig en uitgebreide vaststellingen van vier personeelsleden niet zouden kloppen. Bovendien meent de klachtencommissie dat klager zich bijzonder verdacht gedroeg om volgens hem niets te moeten verbergen. De klachtencommissie besluit dat de directie de feiten in redelijkheid en billijkheid bewezen kon verklaren in hoofde van klager.
De directeur kwalificeerde de feiten correct als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (inbreuk van eerste categorie) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (inbreuk van tweede categorie). Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van vijftien dagen ATV wettig was. Bovendien is de
tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de tuchtrechtelijke voorgaanden van klager. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.