KC16/22-0149
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING
Er werd een RAD opgemaakt omdat klager tijdens het halen om water geagiteerd gedrag vertoonde dat uiteindelijk resulteerde in een incident met een beambte waarbij hij neus aan neus is gaan staan met een beambte en een bedreiging heeft geuit. Kort na het opleggen van de voorlopige maatregel, werd een tweede RAD opgemaakt omdat klager de kwartierchef een vuile stoephoer had genoemd. De directeur nam ook kennis van dit RAD waarna het werd toegevoegd aan de tuchtprocedure. Bij aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting werpt klager op dat zijn advocaat niet aanwezig is. Zowel in het verslag van de hoorzitting als het verweer van de directie, geeft de directie aan dat klager bij de mededeling van de opstart van de tuchtprocedure de naam van zijn raadsman niet wou meedelen waardoor de directie niet wist welke advocaat zij moest oproepen. Klager betwist dit niet. Klager vindt het echter absurd dat men niet weet welke advocaat hem al vijf jaar bijstaat. De klachtencommissie is van oordeel dat klager afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman door de naam van zijn advocaat niet door te geven. Het is voor de directie niet mogelijk om voor iedere gedetineerde bij te houden wie zijn advocaat is. De klachtencommissie meent dat de rapporten uitgebreide en gedetailleerde vaststellingen bevatten waaruit duidelijk blijkt dat klager geagiteerd was en conflict opzocht. Zelfs wanneer klager aan de beambte had gezegd dat hij per ongeluk water had gemorst en de beambte het liet rusten, zocht klager de confrontatie opnieuw op. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat klager zowel op de tuchthoorzitting als op de zitting van de klachtencommissie geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties heeft aangebracht waarom de vaststellingen van het personeel niet correct zouden zijn. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuken. De klacht is ongegrond.
Er werd een RAD opgemaakt omdat klager tijdens het halen om water geagiteerd gedrag vertoonde dat uiteindelijk resulteerde in een incident met een beambte waarbij hij neus aan neus is gaan staan met een beambte en een bedreiging heeft geuit. Kort na het opleggen van de voorlopige maatregel, werd een tweede RAD opgemaakt omdat klager de kwartierchef een vuile stoephoer had genoemd. De directeur nam ook kennis van dit RAD waarna het werd toegevoegd aan de tuchtprocedure. Bij aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting werpt klager op dat zijn advocaat niet aanwezig is. Zowel in het verslag van de hoorzitting als het verweer van de directie, geeft de directie aan dat klager bij de mededeling van de opstart van de tuchtprocedure de naam van zijn raadsman niet wou meedelen waardoor de directie niet wist welke advocaat zij moest oproepen. Klager betwist dit niet. Klager vindt het echter absurd dat men niet weet welke advocaat hem al vijf jaar bijstaat. De klachtencommissie is van oordeel dat klager afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman door de naam van zijn advocaat niet door te geven. Het is voor de directie niet mogelijk om voor iedere gedetineerde bij te houden wie zijn advocaat is. De klachtencommissie meent dat de rapporten uitgebreide en gedetailleerde vaststellingen bevatten waaruit duidelijk blijkt dat klager geagiteerd was en conflict opzocht. Zelfs wanneer klager aan de beambte had gezegd dat hij per ongeluk water had gemorst en de beambte het liet rusten, zocht klager de confrontatie opnieuw op. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat klager zowel op de tuchthoorzitting als op de zitting van de klachtencommissie geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties heeft aangebracht waarom de vaststellingen van het personeel niet correct zouden zijn. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuken. De klacht is ongegrond.