KC16/22-0135
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Pas de décision du directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL - PUNTENSYSTEEM - CEL - VERBODEN VOORWERPEN - SCHADE
Het opleggen van een voorlopige maatregel is geregeld in de Basiswet. In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure voorlopige maatregelen nemen en daartoe bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen. Enkel in die situaties voorziet de Basiswet de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was. Uit de motivering bleek dat klager bedreigingen uitte van fysiek agressie, gecombineerd met het barricaderen van zijn celdeur. Door de weigering om te verhuizen, kwam het doorschuifsysteem van de andere celmutaties bovendien in het gedrang. Doordat klager slechts voor de tijd van de verhuis diende te verblijven op de beveiligde cel, is de beslissing bovendien redelijk en billijk. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg naar aanleiding van een tuchtbeslissing punten opgelegd waardoor hij een puntensaldo van meer dan 10 punten had. Klager werd hierdoor automatisch overgeplaatst naar het basisregime. De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde zelf meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen een tuchtovertreding en punten. Zij is hierin duidelijk: wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten. De klachtencommissie kan uit dit alles niet anders dan afleiden dat de directie met het opleggen van de punten, en een overplaatsing tot gevolg, aan klager een duidelijke intentie tot bestraffen had, buiten het wettelijke kader van de Basiswet om. De klacht is gegrond.
Klager verklaart dat naar aanleiding van de celmutatie, verschillende van zijn spullen werden beschadigd. Klager zou reeds de vraag hebben gesteld om een schaderapport op te maken maar op deze vraag werd niet ingegaan. Conform Collectieve Brief nr. 133 van 12.10.2015 worden dossiers inzake schade aan voorwerpen van gedetineerden, zij het door beschadiging dan wel door verdwijning ervan toevertrouwd aan de Directie Juridische Ondersteuning (DJO) van het DG EPI. De gevangenisdirectie is enkel gehouden tot samenstelling van een schadedossier op het ogenblik dat de gedetineerde een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar neemt hierin zelf geen beslissing. De gedetineerde die schade vaststelt aan zijn voorwerpen en hiervoor schadevergoeding wenst, dient de gevangenisdirectie hiervan in te lichten door het formulier uit bijlage 1 van de Collectieve Brief nr. 133 in te vullen en te overhandigen zo snel mogelijk en uiterlijk veertien dagen na de vaststelling van de schade. In casu is het niet duidelijk of klager dergelijk formulier indiende. Er is in elk geval geen sprake van een beslissing van de directeur. De klacht is onontvankelijk.
Naar aanleiding van de celmutatie, werden op de cel van klager waterbidons gevonden die werden gebruikt als gewichten. Gelet op de bepaling uit het huishoudelijk reglement die stelt dat de (toegelaten) voorwerpen die worden afgewend van hun normaal gebruik, uit de cel verwijderd worden, hebben de penitentiaire beambten deze waterbidons van klager afgenomen. Uit het verweer blijkt de directie deze beslissing niet heeft genomen. De Basiswet vereist in dergelijke gevallen ook geen beslissing van de directeur. Slechts wanneer toegelaten voorwerpen worden afgenomen en worden gedeponeerd, dient dit te verlopen via een tuchtprocedure of een bijzondere veiligheidsmaatregel. Bijgevolg is de klacht onontvankelijk.
Klager meent tenslotte dat hij werd overgeplaatst naar een cel die niet voldoet aan de wettelijke normen. De Basiswet stelt dat de Koning de voorwaarden bepaalt waaraan de verblijfsruimtes moeten voldoen inzake gezondheid, brandveiligheid en hygiëne, en stelt daartoe regels vast die minstens betrekking hebben op de omvang, de verlichting, de verluchting, de sanitaire voorzieningen en het onderhoud. Art. 1 van het KB van 3 februari 2019 bepaalt de afmetingen van de verblijfsruimtes. Art. 11 stelt: “de op het ogenblik van inwerkingtreding van dit besluit reeds bestaande gevangenissen moeten uiterlijk twintig jaar na deze inwerkingtreding (03.02.2019) aan de bepalingen van dit besluit aangepast zijn.” De klacht van klager valt bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht aangezien dit geen individuele beslissing van de directeur betreft, noch het verzuim of de weigering uitmaakt om een beslissing te nemen binnen een wettelijke of redelijke termijn. De klacht is onontvankelijk.
Het opleggen van een voorlopige maatregel is geregeld in de Basiswet. In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure voorlopige maatregelen nemen en daartoe bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen. Enkel in die situaties voorziet de Basiswet de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was. Uit de motivering bleek dat klager bedreigingen uitte van fysiek agressie, gecombineerd met het barricaderen van zijn celdeur. Door de weigering om te verhuizen, kwam het doorschuifsysteem van de andere celmutaties bovendien in het gedrang. Doordat klager slechts voor de tijd van de verhuis diende te verblijven op de beveiligde cel, is de beslissing bovendien redelijk en billijk. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg naar aanleiding van een tuchtbeslissing punten opgelegd waardoor hij een puntensaldo van meer dan 10 punten had. Klager werd hierdoor automatisch overgeplaatst naar het basisregime. De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde zelf meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen een tuchtovertreding en punten. Zij is hierin duidelijk: wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten. De klachtencommissie kan uit dit alles niet anders dan afleiden dat de directie met het opleggen van de punten, en een overplaatsing tot gevolg, aan klager een duidelijke intentie tot bestraffen had, buiten het wettelijke kader van de Basiswet om. De klacht is gegrond.
Klager verklaart dat naar aanleiding van de celmutatie, verschillende van zijn spullen werden beschadigd. Klager zou reeds de vraag hebben gesteld om een schaderapport op te maken maar op deze vraag werd niet ingegaan. Conform Collectieve Brief nr. 133 van 12.10.2015 worden dossiers inzake schade aan voorwerpen van gedetineerden, zij het door beschadiging dan wel door verdwijning ervan toevertrouwd aan de Directie Juridische Ondersteuning (DJO) van het DG EPI. De gevangenisdirectie is enkel gehouden tot samenstelling van een schadedossier op het ogenblik dat de gedetineerde een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar neemt hierin zelf geen beslissing. De gedetineerde die schade vaststelt aan zijn voorwerpen en hiervoor schadevergoeding wenst, dient de gevangenisdirectie hiervan in te lichten door het formulier uit bijlage 1 van de Collectieve Brief nr. 133 in te vullen en te overhandigen zo snel mogelijk en uiterlijk veertien dagen na de vaststelling van de schade. In casu is het niet duidelijk of klager dergelijk formulier indiende. Er is in elk geval geen sprake van een beslissing van de directeur. De klacht is onontvankelijk.
Naar aanleiding van de celmutatie, werden op de cel van klager waterbidons gevonden die werden gebruikt als gewichten. Gelet op de bepaling uit het huishoudelijk reglement die stelt dat de (toegelaten) voorwerpen die worden afgewend van hun normaal gebruik, uit de cel verwijderd worden, hebben de penitentiaire beambten deze waterbidons van klager afgenomen. Uit het verweer blijkt de directie deze beslissing niet heeft genomen. De Basiswet vereist in dergelijke gevallen ook geen beslissing van de directeur. Slechts wanneer toegelaten voorwerpen worden afgenomen en worden gedeponeerd, dient dit te verlopen via een tuchtprocedure of een bijzondere veiligheidsmaatregel. Bijgevolg is de klacht onontvankelijk.
Klager meent tenslotte dat hij werd overgeplaatst naar een cel die niet voldoet aan de wettelijke normen. De Basiswet stelt dat de Koning de voorwaarden bepaalt waaraan de verblijfsruimtes moeten voldoen inzake gezondheid, brandveiligheid en hygiëne, en stelt daartoe regels vast die minstens betrekking hebben op de omvang, de verlichting, de verluchting, de sanitaire voorzieningen en het onderhoud. Art. 1 van het KB van 3 februari 2019 bepaalt de afmetingen van de verblijfsruimtes. Art. 11 stelt: “de op het ogenblik van inwerkingtreding van dit besluit reeds bestaande gevangenissen moeten uiterlijk twintig jaar na deze inwerkingtreding (03.02.2019) aan de bepalingen van dit besluit aangepast zijn.” De klacht van klager valt bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht aangezien dit geen individuele beslissing van de directeur betreft, noch het verzuim of de weigering uitmaakt om een beslissing te nemen binnen een wettelijke of redelijke termijn. De klacht is onontvankelijk.