Ga verder naar de inhoud

KC16/22-0114

Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - GEURWAARNEMING - VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - HANDTEKENING

Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt nadat een rare geur werd opgemerkt in de cel van klager. In de cel van klager stond een brooddoos op de tafel met daarin vele doorzichtige plastiekjes. Deze plastiekjes hadden de geur van een vermoedelijk verboden substantie. Op beslissing van de directeur werd een celcontrole en een naaktfouille uitgevoerd. Beiden waren negatief. Klager betwist het bezit van verboden substanties.

Als algemeen principe geldt dat de directie slechts een tuchtsanctie kan opleggen op grond van feiten die op rechtmatige wijze bewezen zijn. Zij kan geen tuchtstraf opleggen die is gebaseerd op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten. De rapporten aan de directeur vormen voor de directie een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een  voldoende duidelijk  RAD en op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen.

Ook in het geval van feiten gelinkt aan het bezit van verboden substanties zijn zulke vaststellingen van het personeel belangrijk, temeer gelet op de opleiding die zij hebben genoten en de ervaring die zij hebben opgebouwd in het herkennen van verboden substanties, zowel wat betreft het uitzicht als wat betreft de geur. De klachtencommissie is van mening dat geurwaarneming daarom een element kan vormen voor de basis van een tuchtbeslissing, zolang ze op een zorgvuldige wijze is gedaan. De klachtencommissie brengt daarbij het vermoeden van onschuld in herinnering dat een algemeen rechtsbeginsel is. Om die reden meent de klachtencommissie dat een gedetineerde enkel gesanctioneerd kan worden voor het bezit van verboden substanties indien de geurwaarneming voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd werd en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen, hetgeen in dit dossier niet het geval was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk van het bezit van verboden substanties. De klacht is gegrond.

Naar aanleiding van het RAD werd een voorlopige maatregel opgelegd. De klachtencommissie is van oordeel dat de wettelijke voorwaarden om een voorlopige maatregel in de vorm van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte op te leggen, niet waren vervuld. De klachtencommissie meent dat de motivering van de beslissing niet verwijst naar aanwijzingen dat de interne veiligheid was aangetast. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt. Nergens in het tuchtdossier is er sprake dat klager fysiek agressief zou geweest zijn of in die zin bedreigend overkwam. Er was enkel een rare geur in zijn cel waargenomen en plastiekjes gevonden die de geur hadden van een vermoedelijk verboden substantie.

De Basiswet schrijft bovendien expliciet voor dat enkel de directeur een voorlopige maatregel kan opleggen. Collectieve brief nr. 124 van 6 september 2013 voorziet een specifieke vormvereiste indien de directeur niet aanwezig is in de gevangenis om de beslissing te nemen. De klachtencommissie stelt vast dat deze vormvereiste niet werd nageleefd. De klacht is gegrond.