Ga verder naar de inhoud

KC16/21-0118

Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - ZORGVULDIGHEIDSPLICHT

Er werden enkele ‘attributen’ aangetroffen in cel van de klager: een stukje zilverpapier in de vorm van een pijpje. Klager heeft echter steeds volgehouden dat het niet aan hem toebehoorde. Hij stelt dat zijn vensterbank grenst aan de wandeling en dan iedereen het daar gelegd kan hebben.
De Klachtencommissie stelt vast dat noch de grondige celcontrole, noch het onderzoek van de aangetroffen materialen, noch de fouillering op het lichaam enige aanwezigheid of van wiet of een andere verboden substantie hebben aangetoond.

Uit het dossier blijkt niet dat toxicologisch onderzoek is verricht naar dit attribuut. Nochtans zou het attribuut, indien er effectief wiet zou zijn gerookt, onmiskenbaar materiële sporen moeten hebben nagelaten van het gebruik van deze drug. De directie heeft zonder meer beslist dat klager op dat moment drugs had gebruikt. Klager maakte voldoende aannemelijk dat iemand anders het zilverpapier er kon hebben gelegd. De directie kan echter niet in redelijkheid en billijkheid besluiten tot het bewezen achten van het bezit of van de handel in de door de wet verboden substanties.

De klacht is gedeeltelijk gegrond, de tuchtbeslissing omtrent het bewezen achten van het bezit of van de handel in de door de wet verboden substanties wordt vernietigd.