Ga verder naar de inhoud

KC10/26-0175

Non fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING

Klager diende klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager op een (andere) beveiligde cel te plaatsen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de (summiere) motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de interne veiligheid werd aangetast, gelet op de verwijzing naar brandstichting in de veiligheidscel. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing op een beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.

Klager diende klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting stelde klager dat hij dat hij een sigaret rookte, die weggooide en zich omdraaide. Toen hij zich terug omdraaide zag hij wit op het plafond en was het toiletpapier aan het roken, niet aan het branden. Klager wou water nemen maar er kwam niks uit (de kraan). Hij heeft dan zijn hesje gebruikt. De advocaat vult aan dat het een beladen dossier is en dat klager een signaal wou geven maar dat dit niet op de juiste manier gebeurd is. De advocaat vraagt een sanctie deels met uitstel.

Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting een aantal elementen aan die van belang waren in het kader van de beoordeling van het opzettelijk karakter van de brand. Dat klager ter tuchtzitting zei dat het enkel rook was, doet volgens de klachtencommissie weinig ter zake, aangezien de oorzaak van deze rook uiteraard de sigaret en dus vuur was, en er dus sprake was van ‘brand’ in de gebruikelijke betekenis van het woord (ook al waren er misschien maar weinig vlammen zichtbaar). De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie het feit dat er brand was, bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). De klachtencommissie verwijst naar de recente rechtspraak van de beroepscommissie voor wat betreft de interpretatie van het begrip ‘opzet’ in een tuchtrechtelijke context (BC/26-0150). De klachtencommissie meent dan ook dat de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan door de feiten te kwalificeren als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet) wanneer een gedetineerde in de veiligheidscel een sigaret rookt en die (nog smeulende sigaret) weggooit in een toiletpot waarin wcpapier ligt, waardoor dit begint te roken en waarbij men dit vervolgens ook nog eens probeert te doven met een veiligheidshesje (dat doorgaans van polyester gemaakt is en dat eveneens zeer smeltbaar en brandbaar is). De klachtencommissie acht de kwalificatie aldus correct. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 21 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.