Ga verder naar de inhoud

KC10/26-0161

Non fondée Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - MOTIVERING - PROPORTIONALITEIT - SANCTIE

Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat er ter gelegenheid van een fouillering aan de kledij een grote hoeveelheid hasj werd gevonden. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In de bestreden beslissing wordt tevens (summier) gemotiveerd dat een onderzoek aan de kledij niet volstaat. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie leest in het RAD van 8 augustus 2026 dat er bij klager 103 gram hasj werd aangetroffen onder zijn zolen. De klachtencommissie vindt geen ondersteuning voor het verhaal van klager dat hij slechts 94,7 gram hasj bijhad en dat men er daarnaast nog eens 7,2 gram bijgezet heeft waarvan klager speculeert dat ze dit op cel gevonden zouden hebben. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 30 dagen ATV. Klager voerde aan dat hij fysiek bedreigd werd en gedwongen werd de hasj binnen te smokkelen na zijn penitentiair verlof. De directie herneemt dit argument van klager in de motivering. Ze verduidelijkt vervolgens op geen enkele wijze of ze dit element geloofwaardig acht of waarom ze vindt dat de maximumsanctie ondanks dit element toch geoorloofd is. Het evenredigheidsbeginsel vereist nochtans dat de directeur individuele redenen opgeeft voor een maximale sanctie. Een standaardmotivering met loutere verwijzing naar het gegeven ‘dat het bezit en/of gebruik van illegale drugs verboden zijn in de instelling, net zoals ze verboden zijn buiten de instelling’, volstaat daarbij volgens de klachtencommissie niet. De klachtencommissie is van oordeel dat de fysieke bedreiging die klager aanvoert voldoende aannemelijk werd gemaakt of minstens niet werd weerlegd door de directie. Pas uit het verweer tegen de klacht blijkt dat de directie géén geloof hecht aan het argument van klager, en dat ze meent dat er sprake was van een intentie in hoofde van klager om het effectief mee binnen te smokkelen, aangezien klager zijn verklaring pas op de tuchtzitting gaf en niet op het moment van de feiten. Aangezien de directie in de motivering van de tuchtbeslissing dit element echter vermeldt, maar op geen enkele wijze tegenspreekt, had dit element volgens de klachtencommissie moeten meespelen in de bepaling van de aard en omvang van de sanctie. Het opleggen van de maximumsanctie was in het voorliggend dossier onredelijk. Om die reden is de klacht gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing gedeeltelijk, in de mate waarin de tuchtsanctie op méér dan 21 dagen ATV werd bepaald. De uitspraak van de klachtencommissie komt in de plaats van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. De ATV-sanctie van klager loopt ten gevolge hiervan af op 3 september 2026.